Column

De wetenschap biedt geen spectaculaire zekerheden

Op navigatiesystemen stel ik steevast de stem in van een koele Britse vrouw die je enigszins uit de hoogte toespreekt en je dan dwingt om rechts of links te gaan. Jaren geleden wond mijn vriendin zich tijdens autoritten regelmatig op over de koele Britse. Zo beweerde ze dat de vrouw haar hooghartig had geadviseerd om te keren. „Take a U-turn, stupid.

Vandaag moet ik daaraan denken, omdat het internet me toespreekt over mijn zoekopdrachten. Ik zoek bronnen, maar de opdrachten leiden tot niets en dat vindt het zoekprogramma een beetje raar. „Nothing came up for that search, which is a little weird.” Pardon? Moet het programma hier wel iets van vinden? Voor je het weet, vindt het mijn zoektochten zelf een beetje raar. En dan kun je de rest wel raden. De zaak escaleert, het internet begint te schelden – zoek iets verstandigers, stupid – en hebben we mot. Goed. Laten we het hoofd koel houden.

Wat zocht ik? Iets over onderzoek, feiten, waarheid en emotie. Nu alternatieve feiten in de mode zijn, kwamen voorzitter en vicevoorzitter van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen begin dit jaar met een verdediging van de wetenschap. Ironisch genoeg was het een verhaal vol sentiment en pathos over het wantrouwen dat onder politici aanzwelt. „Als deze houding van politici ten aanzien van wetenschappelijke bewijzen en feitelijkheid het nieuwe normaal gaat worden, slaat de westerse cultuur een weg in die sinds de Verlichting als een doodlopende straat werd beschouwd.”

Na een eeuw van interne kritiek is vasthouden aan onbetwistbare feiten te mager

Hoe dan ook, te midden van alle opwinding werd wel duidelijk dat de KNAW kijkt naar wetenschappers als „hoeders van feitelijkheid”. En hier kon je een wenkbrauw optrekken. Want al tijden – misschien niet sinds die heerlijke Verlichting, maar toch al heel lang – beseffen wetenschappers dat hun aanwezigheid invloed heeft op de wereld die ze onderzoeken. Wie ze zijn, hoe ze zijn opgeleid, wat ze meten en wat niet, waar ze letterlijk en figuurlijk staan: alles heeft invloed op hun werk. Vandaar de opkomst van kritische theorieën die de wetenschapper niet alleen zien als hoeder maar ook als beïnvloeder van de feiten. En, ja, dat geldt ook voor de natuurwetenschappen.

Deze twintigste-eeuwse, kritische omgang met de onderzoekspraktijk heeft gaten gedicht en fouten gerepareerd. Maar de geschiedenis van het denken is nu eenmaal een geschiedenis van hollen of stilstaan. En dus heeft de kritiek op het wetenschapsbedrijf in de eenentwintigste eeuw zelf weer twee grote problemen opgeleverd. Ten eerste lijkt het aanwijzen van vooroordelen, machtsstructuren en tunnelvisies soms verdraaid veel op een complottheorie. De paranoia die politiek en publiek in de greep houdt, komt regelrecht uit de wetenschap zelf: die is met het ontmaskeren van feiten begonnen. Ik verwijs graag weer eens naar Bruno Latours nuttige essay Why Has Critique Run out of Steam?

Ten tweede kunnen kritische denkers zelf ook last krijgen van tunnelvisies en vooroordelen. Op The Post Online had een neurochirurg bezwaar tegen het artikel van de KNAW. Hij schreef dat de universiteit helemaal niet langer een bolwerk is van feitelijkheid en open debat, maar van emotie – „van machtspolitieke spelletjes en idiote pseudowetenschappelijke ideologieën die zich manifesteren in identity politics, no-platforming, micro-aggressions, safe spaces, trigger warnings en diversity officers.” Daar had de neurochirurg een punt. Al klonk deze kritiek op ideologische verdwazing aan de universiteiten op zijn beurt nogal emotioneel voor een neurochirurg.

Vorige week deed de VVD opeens ook een duit in het zakje. Ze vroeg de KNAW uit te zoeken of de sociale wetenschappen lijden onder een tekort aan „diversiteit van perspectieven”. Kritisch wetenschappelijk onderzoek had aangetoond dat psychologen en sociaal-psychologen steevast progressief zijn en zelden behoudend. Je kon de KNAW al horen zuchten over wantrouwen onder politici. Maar alles bij elkaar opgeteld moest je toch ook concluderen dat de Akademie nu niet kon komen aanzetten met de dooddoener dat wetenschappers ‘hoeders van de feiten’ zijn en dat aan de universiteiten ‘logica en rationaliteit leidend’ zijn.

Na een eeuw van interne kritiek is vasthouden aan onbetwistbare feiten te mager. De academische wereld zal duidelijk moeten maken dat juist de wetenschap geen spectaculaire zekerheden biedt. Dat diversiteit van perspectieven nodig is. Ze zal moeten bedenken hoe je kunt wantrouwen zonder paranoïde te worden en een standpunt kunt innemen zonder ideologisch verblind te raken. En ze zal het publiek vooral moeten bewijzen dat ze serieus nadenkt over het probleem van de feitelijkheid – verontwaardigd zijn is ook in de wetenschap niet genoeg.

Maxim Februari is jurist en schrijver. Deze column is wekelijks.