Opinie

Wetenschap, herken je linkse vooroordelen

Linkse wetenschap? Wetenschappers zouden zich meer moeten blootstellen aan andere denkbeelden, schrijft socioloog .

Academici trekken hun toga aan voor de opening van het Academisch Jaar van de Universiteit Utrecht. Foto Jeroen Jumelet/ ANP

Universiteiten zijn linkse bolwerken. In de VS is de ratio Democratische versus Republikeinse professoren vijf op een. Onder Californische sociologen is het 44 op een. Voor Nederland hebben we geen gegevens, maar dat gaat veranderen, omdat er zorgen bestaan dat de overduidelijke linkse dominantie een open leer- en onderzoeksklimaat in de sociale en geesteswetenschappen ondermijnt.

Afgelopen dinsdag heeft de Kamer een VVD-motie aangenomen om het KNAW te laten onderzoeken „of zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven in de wetenschap in Nederland een rol spelen”. Frappant was dat D66, GroenLinks en PvdA de partijen waren die tegenstemden – precies het deel van het politieke spectrum waarvan de ideologische homogenisering uit zou gaan. PvdA-minister Jet Bussemaker (Onderwijs) leek ook niet enthousiast.

Bussemaker had een Kamervoorstel voor zo’n onderzoek nog afgewezen. Ze was zo stellig in haar ontkenning van een mogelijk probleem, dat ze het probleem alleen leek te benadrukken. „Onderzoekers worden altijd op kwaliteit beoordeeld”, zei ze. En politieke bemoeienis moet vermeden worden: „Ik ga niet van onze universiteiten en hogescholen politiek correcte organisaties maken.”

Waarom is genderdiversiteit belangrijk, maar politieke diversiteit niet? Zijn rechtse mensen gewoon minder goed?

Nu breekt mijn klomp, want hoewel ik me kan vinden in dat laatste argument, is Bussemaker uitgerekend degene die een feministisch universitair aannamebeleid invoert. Ze gaat met quota afdwingen dat er dit jaar honderd nieuwe vrouwelijke hoogleraren bijkomen.

Critici stellen dat dit indruist tegen het gelijkheidsbeginsel en meritocratische selectie. Bussemaker denkt echter dat haar ingreep de selectie juist eerlijker maakt, omdat de universiteiten onbewust mannen zouden bevoordelen en dus niet in staat zijn om puur op kwaliteit te beoordelen. Wacht.

Bussemaker moest iets uitleggen. Waarom weet ze zeker dat rechtse sollicitanten niet benadeeld worden (het hoeft zelfs niet onderzocht te worden), terwijl vrouwen daarentegen zo duidelijk benadeeld worden, dat het zware politieke ingrepen rechtvaardigt? En waarom is genderdiversiteit belangrijk, maar politieke diversiteit niet? Zijn rechtse mensen gewoon minder goed? Toen kwam het. Het verschil, zo verklaarde ze, is dat de „kwaliteit er wel is” onder vrouwelijke academici. Bij rechtse mensen spiegelt iedere mogelijke onder-representatie wellicht alleen hun lagere aanbod aan wetenschappelijke kwaliteit.

Een reactie op sociale media wijdt uit: „Het probleem dat rechtsmenschen met wetenschap en kennis in het algemeen hebben, is dat elke rationele, intelligente analyse van onze samenleving leert dat rechtse opvattingen nergens op slaan. Daarom zijn zo veel intellectuelen links.”

Dat herinnert aan deze van Thomas van der Dunk: „Voor eenieder die nadenkt spreekt het bestaande niet vanzelf, en die attitude vindt men nu eenmaal eerder bij links dan bij rechts.”

Kortom, als je je verdiept in de maatschappij, word je vaak vanzelf links. En je hebt misschien sowieso al iets linksigs als je de denkkracht hebt om je in de maatschappij te verdiepen. Logisch dat universiteiten ‘links’ zijn.

Het is een verleidelijke gedachte als je conservatieve ideeën niet begrijpt en opgroeit rond linkse mensen.

Ik geloofde ooit ook in zo’n verhaal. Het is een verleidelijke gedachte als je conservatieve ideeën niet begrijpt en opgroeit rond linkse mensen. Op de universiteit zijn je docenten links. Dat lijkt een inhoudelijke reden te hebben, want ze beheersen de materie. En veel collegestof is gekleurd. Sommige vakgebieden, zoals cultural studies, postkolonialisme en gender studies, bestaan zelfs grotendeels uit ideologische training.

Studenten neigen uit idealisme trouwens van nature naar links. Ook is de progressieve visie van een snelle morele afrekening met de eigen ‘vooroordelen’ (zo, nu ben ik goed!), aantrekkelijker dan de conservatieve visie van een levenslang ethisch vormingsproces.

Bias is lastig aantoonbaar. Je kunt niet bewijzen dat bepaalde theorieën aanslaan omdat ze bij een ideologisch profiel passen. Maar je ruikt het.

Neem de eindeloze aandacht voor Rawls, zogenaamd de belangrijkste politieke filosoof van de 20ste eeuw. Zijn hoofdwerk ‘bewijst’ dat alleen een extreme herverdeling van middelen ten gunste van de armen, een maatschappij rechtvaardig maakt. Dat past bij een sociaal-democratisch betoog. Het argument was echter al snel weerlegd, want hoe zit het met het recht om je meest zuurverdiende bezittingen te behouden? Maar tot vandaag de dag moeten studenten Rawls lezen en wordt er geld in Rawlsiaans onderzoek gestoken.

Ik zie Leo Strauss als de belangrijkste politieke filosoof van de 20ste eeuw. Hij ondergraaft de filosofische onderbouwing van het liberalisme en de sociale wetenschappen. Maar Strauss ligt te ver buiten de links-liberale verbeelding om door te dringen tot de curricula.

Begrijp me niet verkeerd. Het is prima dat wetenschappers eerder naar links neigen. En het is niet erg dat rechtse academici minder populair zijn.

Het probleem is dat we massa’s studenten door een over-ideologisch curriculum werken. En dat onderzoeksgroepen vanwege hun politieke homogeniteit, moeite hebben hun politieke vooroordelen te herkennen. Die vis je er in een omgeving met meer diverse feedback sneller uit.

Quota zijn geen oplossing. Het principe van evenredige vertegenwoordiging hoort in het politieke domein, niet in de wetenschap. Bovendien heeft Bussemaker het al druk met haar vrouwenquota.

Academisch kuddegedrag en linkse zelfoverschatting zijn uitingen van een algemeen menselijk provincialisme. Daar doet beleid weinig aan. Om als academici onze eigen kleuring te zien, moeten we onszelf van een afstand waarnemen – van hoe verder hoe beter.

We vergroten onze wereld door zelfreflectie en blootstelling aan andere denkbeelden. Een grote opgave. Maar als meer academici zouden begrijpen dat er zoiets bestaat als politiek provincialisme, zou dat al een belangrijke stap zijn. Misschien gaat de discussie over het KNAW-onderzoek iets opleveren.