Onderwijs

Scholen hebben genoeg van al die wetenschap. Hoe kan dat beter?

Scholen moeten te vaak meewerken aan wetenschappelijk onderzoek waar ze de zin niet van inzien. Mark Levels en Rolf van der Velden stellen voor hoe onderzoekers en leraren meer voor elkaar kunnen betekenen.

ANP Arie Kievit.

Door Mark Levels en Rolf van der Velden

Voor het Nederlandse onderwijsonderzoek dreigt een impasse. Te hoge onderzoekdruk voor scholen. Te weinig relevante data voor onderzoekers, beleidsmakers en scholen zelf. Hoe kom je daaruit? Allereerst door de scholen minder te belasten met onderzoeken. En ten tweede door scholen van relevante onderzoeksresultaten te voorzien.

Er wordt in het Nederlandse onderwijs veel onderzoek verricht. Als schoolleider en schoolbestuurder word je veelvuldig benaderd. Internationale onderzoeken zoals PIRLS or PISA, onderzoeken van OCW of Inspectie, maar ook andere onderzoeken van wetenschappers of studenten – de stroom aanvragen is eindeloos. Meedoen aan onderzoek kost leraren en leerlingen veel tijd en moeite. Maar vaak is onduidelijk wat de opbrengsten voor hun eigen onderwijspraktijk zijn. Niettemin is het essentieel voor het beleid en de wetenschap dat deze onderzoeken worden uitgevoerd en dat dat voldoende scholen meedoen om betrouwbare uitspraken te doen.

Kwaliteit van onderzoek

De bereidheid van bestuurders, schoolleiders en leraren om mee te werken aan onderzoek is in de afgelopen jaren wel sterk afgenomen. Onderzoekers merken dat aan de dalende respons bij nationale en internationale survey-onderzoeken en aan de teruglopende bereidheid om deel te nemen aan sociaalwetenschappelijke experimenten. Dat is slecht voor de kwaliteit van het onderzoek.
Grootschalige Nederlandse dataverzamelingen worden hierdoor steeds minder aantrekkelijk voor onderzoekers om te gebruiken in hun analyses. En dat is weer slecht voor het Nederlandse onderwijsbeleid. Want voor beleidsmakers is het essentieel om over goede data en dito analyses te beschikken.
Wederzijds begrip

Voor het grootschalige nationale Nederlandse onderwijsonderzoek dreigt dus een impasse. Hoe komen we hieruit? Op verzoek van het Nationaal Regieorgaan Onderwijs (NRO) zijn wij als coördinatoren Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO) het afgelopen jaar op zoek gegaan naar een oplossing. We gingen om te beginnen op bezoek bij een groot aantal betrokkenen in heel Nederland. We spraken met veertig schoolbesturen die zo’n 10 procent van het PO en 25 procent van het VO vertegenwoordigen. En we luisterden uitvoerig naar schoolleiders, onderzoekers en beleidsmakers.
Die gesprekken gaven hoop en moed. Er is veel wederzijds begrip. Onderwijsonderzoekers hebben begrip voor hoe er in het onderwijsveld over onderzoek gedacht wordt. Leraren staan voor de klas om les te geven, niet om onderzoek te doen. Leerlingen zitten op school om iets te leren, niet om te dienen als onderzoeksobject. Tegelijkertijd zijn schoolbestuurders zich ervan bewust dat het meeste onderwijsonderzoek in Nederland kwalitatief hoogwaardig en maatschappelijk en wetenschappelijk relevant is. De bruikbaarheid voor de eigen praktijk is vaak minder concreet.

Meer profijt voor school en leerling

Het breng je de werelden van onderwijs en onderzoek nu weer bijeen? Het allerbelangrijkste is dat je als school echt iets terugkrijgt voor je deelname aan landelijk onderzoek. Dat is soms niet te realiseren met het onderzoek dat wordt uitgevoerd, simpelweg omdat er te weinig leerlingen per school meedoen of omdat het naar eenmalig is. Maar de gegevens die beschikbaar zijn via landelijk verplichte registraties leveren een schat aan data op die voor scholen wél interessant is.

Gegevens uit deze registraties worden bij het Centraal Bureau voor de Statistiek in een beveiligde omgeving beheerd. Als je die data slim combineert, geven ze beter zicht op hoe oud-leerlingen het doen in het vervolgonderwijs. Ze geven beter inzicht in de kwaliteit van het eigen beoordelingsbeleid. Ze kunnen het inzicht vergroten in hoe je als school omgaat met sociaaleconomische verschillen. En die inzichten kunnen weer leiden tot beter beleid en dus meer profijt voor school en leerling.

Op onze ronde langs de scholen bleek er veel belangstelling te zijn voor rapportages op basis van deze data. En dat is dus wat wij als NCO gaan doen: de cijfers van het CBS gebruiken om scholen een op maat gesneden rapportage te leveren over hoe hun leerlingen het doen, zowel tijdens als na het verlaten van het onderwijs. In het voorjaar van 2017 ontvangt elke school in PO en VO zo’n rapportage. Als deze rapportages daadwerkelijk waardevol zijn voor de scholen, kan hiermee, denken we, het draagvlak om (weer) mee te werken aan landelijke onderzoeken terugkeren.

Lagere onderzoekslast

We moeten ook de feitelijke onderzoekslast verminderen. Daarvoor hebben we drie wegen op het oog:

1. Overlap vermijden. Onderzoekers verzamelen vaak informatie die er al is, maar die moeite kost om te achterhalen. Ter illustratie: een onderzoek over burgerschap verzamelt ook altijd achtergrondgegevens van leerlingen (geslacht, leeftijd, SES, etc.), gegevens over de schoolprestaties en gegevens over de onderwijsloopbaan. Veel van die gegevens zijn al beschikbaar in registers of leerlingvolgsystemen. We gaan dus de toegankelijkheid van die gegevens vergroten. Dat scheelt enorm.

2. Onderzoeksdruk spreiden. De ene school wordt bedolven onder verzoeken. De andere school hoort nooit wat. De steekproeven van de verschillende onderzoeken kunnen nog beter op elkaar worden afgestemd. Kwestie van organiseren.

3. Data-alternatieven bieden. In plaats van telkens weer bij scholen aankloppen voor data die er al zijn, moeten onderzoekers gebruik kunnen maken van bestaande gegevens uit registers. Ook moeten ze met hun specifieke vragen kunnen aanhaken bij grootschalig onderzoek dat toch al plaatsvindt – de momenten waarop zijn vaak ver van tevoren bekend. Door deze onderzoeksbehoeftes goed op elkaar af te stemmen, kunnen we ervoor zorgen dat scholen niet overspoeld worden met verzoeken om informatie.

Onze rondgang heeft ons geleerd dat leraren, schoolleiders, bestuurders, onderzoekers en beleidsmakers een belangrijke gemene deler hebben: goed onderwijs gaat ons allemaal aan het hart. Wij geloven dat we met het NCO een ware schatkamer bouwen met gegevens die niet alleen interessant zijn voor onderzoekers en Haagse beleidsmakers, maar evenzeer voor schoolleiders en –bestuurders. Het is de komende maanden onze ambitie al deze informatie zo goed en toegankelijk mogelijk beschikbaar te stellen aan scholen, onderzoekers en beleidsmakers. Zo profiteert het onderwijs (weer) direct van het kwalitatief hoogwaardige onderwijsonderzoek dat in Nederland wordt verricht.

Mark Levels en Rolf van der Velden, coördinatoren Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO). Het NCO wordt gefinancierd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO).

Blogger

Maarten Huygen

Maarten Huygen is redacteur onderwijs. Hiervoor was hij onder andere chef opinie, commentator en verslaggever voor NRC. Hij woonde 11 jaar in Washington, in de vroege jaren tachtig voor omroepen en bladen, in de vroege jaren negentig voor NRC.