Recensie

Nooit ontsnapt uit zijn kinderlichaam

Truman Capote

Hij was een eenzaam kind, al jong aan het schrijven, ontwikkelde een ragfijn observatie-vermogen en maakte furore in New York, de stad die hem later uitkotste. Zijn vroege dood was twintig jaar werk in uitvoering. Nu zijn al zijn bedwelmende verhalen gebundeld.

Truman Capote in 1980: ‘Hij maakte naam als causeur en bohémien, een onderdeurtje met een lispelende, hoge stem’ Foto Jack Mitchell/Getty Images

Truman Capote’s wereld bestond uit twee tektonische platen die nooit goed op elkaar aansloten: het Amerikaanse Zuiden van zijn jeugd, en de culturele beau monde van het New York waar hij faam maakte en uiteindelijk treurig aan zijn einde kwam. Uit de frictie tussen die werelden ontstond zijn oeuvre, zoals veel van de beste literatuur het werk is van ontheemden, migranten en geboren buitenstaanders. Van mensen die vergeefs zoeken naar aansluiting. Een thuis.

Hij kwam in 1924 in New Orleans ter wereld als Truman Streckfus Persons, zoon van een veel te jonge moeder en een nietsnut van een vader die meer vrouwen dan ondergoed versleet. Zijn moeder – die er naar hunkerde nog iets van haar leven te maken, of er op zijn minst nog een tijdje op los te leven – parkeerde Truman bij familie in Monroeville, Alabama, waar hij bevriend raakte met zijn buurmeisje Harper Lee.

Hij was een merkwaardig joch, vroegwijs en observerend, klein, een tikje verwijfd en met een afkeer van school. Hij spijbelde veel en zijn beste vriendin was zijn bejaarde nicht Sook, die door velen als zwakzinnig werd gezien, en die later door Capote liefdevol zou worden geportretteerd. Maar hij was toch vooral een eenzaam kind, temeer daar hij al vroeg homoseksuele gevoelens kreeg, waarmee je – zeker in die tijd, in die regio – beter niet te koop kon lopen.

En hij schreef. Volgens sommige interviews al sinds zijn achtste, volgens andere sinds zijn elfde – Capote was niet vies van aandikken. In eerste instantie schreef hij reportage-achtige notities, of beter: roddels, over mensen in het dorp, wat hem hielp het observatievermogen te ontwikkelen dat later in zijn werk zo’n gelukkig huwelijk aanging met een feilloos gevoel voor stijl.

Hij deed mee aan een schrijfwedstrijd waar een pony (of een hond) gewonnen kon worden, won, maar kwam in problemen toen bleek dat hij een sleutelroman had ingeleverd waarin hij dubieuze praktijken van buren had beschreven. Vanaf zijn vijftiende werd hij serieuzer, jeugdverhalen die blijk gaven van immens talent en die vorig jaar voor het eerst verschenen, in Nederland als Waar de wereld begint.

Uiteindelijk verhuisde hij naar New York, waar hij naam maakte met romans, non-fictie en korte verhalen – én als causeur en bohémien, een onderdeurtje met een lispelende, hoge stem, alsof hij nooit echt uit zijn kinderlichaam had weten te ontsnappen. Zijn debuutroman Other Voices, Other Rooms (1948) was een doorslaand succes; hetzelfde gold voor het verfilmde Breakfast at Tiffany’s (1958) en, vooral, In Cold Blood (1965), waarmee Capote een nieuw genre muntte: de non fictie-roman. Dat boek, over een moord op een welgesteld boerengezin in ruraal Kansas, maakte Capote bijna even bekend als Hemingway ooit was geweest. Maar het betekende ook het begin van een lange, droeve neergang.

Hartversterkertje

Ondanks die successen voelde Capote zich in de eerste plaats een schrijver van korte verhalen, en zijn volwassen werk op de korte baan is nu in vertaling uitgegeven onder titel Alle verhalen. Capote schreef ze, liggend op bed of bank, eerst met de hand en later met een typemachine op zijn buik, koffie op het bijzettafeltje, en waarschijnlijk ook geregeld een hartversterkertje.

Het verhaal is de moeilijkste en strengst disciplinerende vorm van proza

In 1957 verklaarde hij in een interview met The Paris Review dat het kortverhaal het medium was waarin hij zijn hoogste ambities kon verwezenlijken. Geen vingeroefeningen dus, zoals verhalen dat voor veel schrijvers zijn – schrijvers die wat Capote betreft dan ook niet meer oefenden dan hun vingers. ‘Het komt me voor dat, wanneer je het medium serieus verkent, het verhaal de moeilijkste en strengst disciplinerende vorm van proza is die bestaat.’

Want hoe hou je de stijl en emotionele lading van het materiaal in de hand? ‘Ik geloof’, zei hij, ‘dat een verhaal verpest kan worden door een haperend ritme [...], een verkeerde paragraaf-indeling, of zelfs interpunctie. Henry James is de maestro van de puntkomma, Hemingway is eersteklas met paragraferen. Qua klank schreef Virginia Woolf nooit een slechte zin.’

De truc concludeerde hij, was het vinden van de natuurlijke manier om een verhaal te vertellen. De lakmoesproef? ‘Kan je je na lezing voorstellen dat het verhaal anders zou kunnen zijn, of is je verbeelding de mond gesnoerd en lijkt het verhaal absoluut en onontkoombaar? Zoals een sinaasappel dat is. Omdat de natuur een sinaasappel precies de juiste vorm heeft gegeven.’

Cinema

In de vroegste verhalen in deze bundel voel je nog de schatplichtigheid aan zuidelijke collegae als Carson McCullers, William Faulkner en Eudora Welty. Maar Capote is nóg sterker beïnvloed door cinema. Je merkt het aan de beschrijvingen, vooral van kleren en gezichtsuitdrukkingen. Hij wordt gaandeweg de bundel steeds meer zichzelf, in alle opzichten een stilist, niet alleen in de nauwkeurigheid van woordkeuze, ritme en klank, maar ook in de zin dat zijn stem deel van de betekenis is, niet louter opsmuk. Met stijl is een schrijver aanwezig zonder aanwezig te zijn, bijna als een animerende, metafysische kracht.

Let maar eens op hoe hij iemand typeert: ‘Mrs. Miller hees zich in haar beverbontjas, strikte haar overschoenen en verliet haar woning waar ze één lamp in het halletje liet branden. Ze vond niets zo verontrustend als in het donker thuiskomen.’ (‘Miriam’, 1945). Hoe hij humoristische overdrijving inzet: ‘Dit deel van Alabama is moerassig, het stikt er van de muggen die als ze maar even de kans krijgen een buffel kunnen vellen, om maar te zwijgen van de gevaarlijke vliegende kakkerlakken en een horde plaatselijke ratten die potig genoeg zijn om een treinstel van hier naar Timboektoe te trekken.’ (‘Mijn kant van de zaak’, 1945). Hoe hij een sfeer neerzet in New York: ‘Hij sloeg een zijstraat in die naar de East River liep; het was er rustig, zondagstil: een verdwaalde matroos die een heel groot ijsje verorberde, een levenslustige tweeling die touwtje sprong, een oude, fluwelige dame met gardeniawit haar die kanten vitrage opzijschoof en lusteloos in de regenduistere ruimte tuurde – een stadslandschap in juli.’ (‘De havik zonder kop’, 1946). En in Alabama: ‘Het was in de zomer dat het nooit regende; dat alles met roestige dorheid was overdekt; soms, als er een auto door de straat voorbijkwam, bleef het opgewaaide stof meer dan een uur in de windstilte hangen.’ (‘Kinderen op hun verjaardag’, 1948).

New York

Grofweg de helft van de verhalen speelt in New York, de andere helft in het Diepe Zuiden. In het pijnlijke ‘Je eigen nerts’ probeert een aan lager wal geraakte vrouw haar nerts aan een oude vriendin te verkopen, zonder te laten merken dat ze aan de grond zit. In ‘Buikfles van zilver’ doet een jochie, een halve landloper, een poging te raden hoeveel munten er in een fles zitten die door een drugstore-eigenaar is gevuld ten behoeve van een prijsvraag. In ‘Een nachtboom’ wordt een meisje in een trein lastiggevallen door kermisklanten. En in ‘Een diamanten gitaar’, over twee boeven in een strafkamp, voelen we al de voorschaduwing van In Cold Blood.

Op het oog zijn de twee werelden van Capote keurig gescheiden in deze verhalen, maar in de New Yorkse verhalen proef je niettemin de invloed van het Zuiden, het spookachtige en dreigende van de Southern Gothic. Het maakt de verhalen dromerig en bedwelmend, zoals Annelies Verbeke het in haar uitstekende nawoord typeert. Dat maakt Capote, vind ik, ten diepste toch een zuidelijke schrijver. In ‘Miriam’, een verhaal dat de auteur later misprijzend afserveerde als ‘niet meer dan een goede stunt’, wordt het leven van een alleenstaande dame passief-agressief binnengedrongen door een straatmeisje dat misschien wél en misschien niet bestaat. En in ‘Meneer Malheur’, een relatief onbekend verhaal waarvoor Capote zelf terecht een zwak had, verkoopt een vrouw haar dromen aan een rijkaard die daarmee ook haar ziel steelt.

In het mooiste verhaal, ‘Een kerstherinnering’ (1956), voel je de hunkering naar de jeugd, en dan vooral naar de vriendschap met de oude, simpele Sook en haar hondje Queenie. Het verhaal heeft weinig om het lijf: de jonge verteller haalt herinneringen op aan de keer dat hij met Sook vruchtencakes ging bakken. Maar het maakt het nieuws van Sooks overlijden, bijna een nagedachte, hartverscheurend.

Hij vertelt over een bezoek aan zijn vader, die hem meer als trofee dan als mens ziet

Ik denk dat Capote zijn leven lang bezig is geweest de puzzel van zijn jeugd passend te krijgen, en daarin nooit geslaagd is. Want tegenover die weemoed staat de wond van het in de steek gelaten zijn, zoals blijkt uit het laatste verhaal dat hij schreef: ‘Kerst in New Orleans’ (1982), waarin hij vertelt over een gedwongen bezoek aan zijn vader, die hem meer als trofee dan als mens ziet, en uiteindelijk weer geen aandacht voor hem heeft. Omdat een feestje met oudere, maar welgestelde potentiële huwelijkskandidaten belangrijker is.

Curiosum

Na het succes van In Cold Blood kondigde Capote een Proust-achtige roman aan, die de deconfiture van zijn New Yorkse sociale kring in kaart moest brengen. Maar na publicatie van enkele fragmenten, werd hij door diezelfde kringen uitgekotst, en het is – geruchten niettegenstaande – onwaarschijnlijk dat Capote nog werkelijk voortgang heeft geboekt met die roman.

Hij trok zich terug, begon meer te drinken, raakte aan de drugs en liet zich door tv-makers misbruiken als curiosum. Zijn vroegtijdige dood in 1984, op 59-jarige leeftijd, was bijna twintig jaar werk in uitvoering. Toch schreef hij in die periode nog twee ijzersterke verhalen, die tot de hoogtepunten in deze bundel behoren: ‘Mojave’ en het al genoemde ‘Kerst in New Orleans’.

Verbeke legt in haar nawoord een verband tussen Capote’s neergang en een eerder verhaal: ‘Sluit een laatste deur’ uit 1947. Daarin heeft een man zich dermate onmogelijk gemaakt bij zijn omgeving, dat hij naar New Orleans vlucht en zich verschanst in een hotelkamer. Hij draait rondjes in een delirium van cirkelgedachten, ‘draaiende raderen van gefluister, hij zei dat jij hebt gezegd dat zij hebben gezegd dat wij hebben gezegd, almaar in het rond, traag en snel, terwijl de tijd zichzelf terughaalde in eindeloos geklets.’

Geklets. In het interview met The Paris Review roept Capote op zeker moment uit dat hij converseren boven schrijven prefereert: ‘Mijn hemel, meisje, je ziet toch dat ik van kletsen hou.’ Maar wie zijn innerlijke conflicten niet oplost, is op zeker moment danig uitgeluld.

Op dinsdag 14 februari vindt in Paradiso in Amsterdam een Capote-manifestatie plaats, met Connie Palmen, Annelies Verbeke en Wilfried de Jong. Zie paradiso.nl