Commentaar

Kamer mag neutraliteit wetenschap niet ondergraven

Begrijpelijk dat Bussemaker niet van plan lijkt de motie uit te voeren over de vraag of de Nederlandse wetenschap wel neutraal is.

De Tweede Kamer vroeg minister Jet Bussemaker (Wetenchap, PvdA) afgelopen week per motie om de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) te laten adviseren over de vraag of de Nederlandse wetenschap wel neutraal is. De motie van regeringspartij VVD beklemtoont het belang van „het vrije woord”. Ofschoon dit vanzelfsprekend lijkt voor iedere serieuze wetenschapper, spleet deze motie de coalitie en de Tweede Kamer. In de subtekst van de motie schemert namelijk het sterke vermoeden (anders was er geen motie nodig) dat de Nederlandse wetenschap niet waardenvrij zou zijn. Tegenstanders van de motie zeiden dat de VVD eigenlijk vindt dat „de universiteiten te links zouden zijn”. Maar voor onderzoek naar de aanname dat er een worm knaagt aan het hart van de Nederlandse wetenschap is meer nodig dan deze miniem onderbouwde aanname. Begrijpelijk dat Bussemaker niet van plan lijkt die motie, die mede ingegeven lijkt door electorale profileringsdrang, uit te voeren.

Goed onderzoek volgens de definitie van de VVD is – enigszins gechargeerd – onderzoek waarbij het bedrijfsleven is gebaat. Anderzijds: ook onderzoek dat op het eerste gezicht nergens goed voor is, kan onvoorzien leiden tot belangrijke inzichten.

De VVD begeeft zich met de motie op een glibberig pad: de wetenschap is de politiek inhoudelijk geen verantwoording schuldig. Onderzoekers kunnen links of rechts zijn, maar serieuze wetenschap heeft geen kleur. Want de wetenschap onderzoekt, om met Ludwig Wittgenstein te spreken, „alles wat het geval is”. En daar heeft het onderzoek zich bij te houden, ongeacht de politieke ideologie van de onderzoeker. Is het anders, dan kloppen de beruchte alternative facts aan de deur – feiten die geen geconstateerde feiten zijn maar gewenste feiten. Gewenst door onderzoekers die willen scoren – wat voorkomt. Of gewenst door politici die er hun stellingen kracht mee willen bijzetten of er de ideeën van hun concurrenten mee willen ontkrachten. Immers, de politiek heeft de neiging bij de wetenschap te winkelen. En terwijl de wetenschapper gehouden is onafhankelijk en zakelijk conclusies te trekken, is de politicus het aan zichzelf en zijn partij verplicht onderbouwing voor zijn agenda te vergaren. Zolang de belangen gelijk zijn kunnen wetenschap en politiek samen optrekken. Maar worden ze het onderweg oneens, dan gaan ze ieder huns weegs, want hun doelen zijn tegengesteld.

De wetenschap moet zich ervan bewust zijn dat er bij haar voor de politiek veel te halen valt, in het licht van politieke en ethische dilemma’s op allerlei terreinen. Wetenschappelijke resultaten kunnen in strijd zijn met politieke doelen. Daarom staan bijvoorbeeld politiek en wetenschap soms recht tegenover elkaar wat betreft de klimaatverandering. Politici willen soms om ideologische, meestal economische, redenen van dat onderzoek niet weten en zoeken naar ándere wetenschappers die de gangbare uitkomsten van klimaatonderzoek falsifiëren. Dat kan. Maar voor politiek gewin is in de wetenschap geen ruimte. Uiteindelijk moeten die beide wetenschappelijke richtingen het inhoudelijk met elkaar uitvechten.

De politiek kan aan de slag met conclusies van de wetenschap. Die kunnen naar behoeven worden ingekleurd – waarna de wetenschapper zonodig zal uitleggen dat de politiek zich vergist en de boel kan rechtzetten. De wetenschap zoekt naar bevestiging of ontkenning van feiten. De politiek drijft op het bevestigen van het eigen gelijk. Die twee zijn tegengesteld. Ze kunnen elkaar opjutten en scherp houden. Ontmoeten zullen zij elkaar nooit. Het is niet aan de Tweede Kamer per motie de neutraliteit van wetenschap in twijfel te trekken.