Recensie

Het heiligenleven van een oplichter

De onbestemde periode tussen het hoogtepunt van een oplichter en zijn definitieve val is de mooiste episode in deze roman, waarin David Pefko met een persoonlijke Madoff-variatie komt.

Tekening Paul van der Steen

‘Jaren geleden, toen ik nog geen boeken schreef, was ik een periode gepassioneerd belastingfraudeur. Ik vulde mijn belastingaangiften foutief in en gaf weinig tot geen inkomsten op. Ik regelde zo nu en dan een forse teruggave waarop ik helemaal geen recht had en vierde feest als het op mijn rekening stond.’

Er zijn romans die met slechtere zinnen beginnen, maar dit citaat van David Pefko (1983) is twee jaar oud. Het komt uit de eerste aflevering van een reeks waarin hij voor nrc.next verslag deed van de taakstraf die hij kreeg opgelegd. Een jaar geleden schreef Pefko bovendien een stuk in Vrij Nederland over de twee weken die hij in de cel doorbracht, ongetwijfeld in verband met dezelfde passie. Daarin schreef hij hoe hij vergeefs om een typemachine had gevraagd om aan zijn roman te werken en hoe zijn uitgever (Mai Spijkers van Prometheus) hem liet weten zijn boete te betalen toen hij van dat schrijfmachineverbod hoorde.

Nu is de roman van Pefko – die zes jaar geleden de Gouden Uil kreeg voor Het voorseizoen – gepubliceerd. Daar komen de vliegen gaat over een oplichter. Niet over een gepassioneerde Hollandse belastingfraudeur met een Griekse vader, maar over een Amerikaan die veel gemeen heeft met Bernie Madoff, de in 2008 als fraudeur ontmaskerde New-Yorkse aandelenhandelaar. Jerry Kirschenbaum, zoals Pefko’s hoofdpersoon heet, is van dezelfde generatie als Madoff, komt uit dezelfde joodse kringen, geniet van vergelijkbare absurde rijkdom en heeft een echtgenote met dezelfde voornaam (Ruth). Verschillen zijn er ook: Madoff had twee zoons die meewerkten in zijn bedrijf, de fictieve Kirschenbaum heeft alleen een gehandicapte zoon.

Maar goed, ik heb de feitjes over Madoff ook moeten opzoeken; het gaat om de roman, om wat Pefko doet met het gegeven van de meesteroplichter. De kortste beschrijving daarvan is de interessantste: hij heeft er een heiligenleven van gemaakt. Jerry Kirschenbaum is een vreselijk aardige en charmante man. Hij zit de nukken van zijn statusbewuste vrouw uit, stopt soms honderd dollar in de schoen van de huishoudster, wordt vrijwel nooit kwaad en is (net als Ruth) een zeer toegewijde ouder voor hun zoon Andy. Als een werknemer een blunder maakt, toont hij zich vergevingsgezind, óók al omdat hij weet dat diens werk niets uit heeft te staan met zijn werkelijke (frauduleuze) verdienmodel. Kirschenbaum bezoekt vrijwel alle feestjes – alleen bij de ‘bark mitswa’ van een upperclass-hond ontbreekt hij.

Liefdevol spendeert hij miljoenen aan goede doelen en aan de kunst die Ruth graag aan de muur wil hebben. Daarbij komt nog zijn eigen hobby. Hij verzamelt automatons: mechanische constructies die nadat ze zijn opgewonden de illusie wekken dat ze leven. Kirschenbaum kocht zijn eerste ooit met geld dat hij van zijn vader stal, inmiddels geeft hij er miljoenen aan uit op veilingen.

De hobby is niet vrij van symboliek. Kirschenbaums hele bedrog draait erom dat zijn bedrijf van buiten een normaal aandelenfonds lijkt, terwijl binnenin een heel ander mechaniek werkt. Zijn systeem is eenvoudig: terwijl zijn medewerkers denken dat ze in aandelen handelen, werken ze met fake-programma’s. In werkelijkheid keert Kirschenbaum zijn klanten ‘winst’ uit die hij betaalt met de inleg van nieuwe klanten: een piramideconstructie die werkt zolang niet te veel mensen hun inleg terugvragen – wat precies datgene is wat tijdens de kredietcrisis gebeurde.

Ontsnappingspogingen

Een oplichter moet natuurlijk vertrouwen wekken (zoals je een romanschrijver moet geloven), maar de volle overgave waarmee Pefko zijn held aardig laat zijn, is ernstig en fascinerend. Want wanneer het net zich om Kirschenbaum sluit, gaan zijn halfhartige ontsnappingspogingen vergezeld van oprechte zorgen om vooral de kleinere beleggers die in zijn val zijn getrapt; en hij vreest voor zijn familie. Het is de gewoonte om in dit soort boevenromans ‘de menselijke kant’ van de hoofdpersoon te belichten, maar Bernie Kirschenbaum is wat dat betreft over the top – hij is in bijna alles een geweldige kerel. Dat is maar goed ook, want verder is Daar komen de vliegen een vrij monotone, om niet te zeggen brave roman. On-Hollands in zijn setting, maar ook alléén daarin. Het schuimig opgespoten Amerikaanse miljonairsmilieu wordt precies zo getekend als in talloze eerdere romans en films, de automatons zijn van een kraakheldere symboliek, de logistiek van het bedrog (met een handvol Koreanen die van ananas zeggen te houden) is literair-curieus, de overvloedig aangerukte bijfiguren zijn van bordkarton en aan de stijl van Pefko is weinig opmerkelijks te ontdekken.

Het laat zich allemaal soepeltjes lezen, maar het kan tientallen pagina’s duren voor je even opschrikt – bijvoorbeeld als een haptonoom de (braaf van alles proberende) Jerry complimenteert met zijn ademhaling: ‘Je ademt prachtig […] zelden heb ik iemand zo mooi zien ademen. Je hebt er talent voor.’

Wat Daar komen de vliegen redt, zijn de stroomversnellingen waarin het verhaal komt als het Jerry allemaal over de schoenen loopt. Pas na een pagina of honderd, wanneer een reeks paniekaanvallen de oplichter bijna fataal wordt en hij zich (naar zal blijken) nog eenmaal weet op te richten. Daar helpt dat Kirschenbaum (in tegenstelling tot zijn spiegelbeeld Madoff in het echte leven) helemaal alleen handelt: de eenzaamheid van de oplichter wordt daar prachtig opgeroepen.

Iets vergelijkbaars geldt voor de scènes die voorafgaan aan de val van de sjoemelaar. Mooi laat Pefko zijn held daar twijfelen en schitterend doet hij verslag van de laatste 24 uur die Ruth en Jerry samen denken te hebben: je ziet twee mensen met de moed der wanhoop zoeken naar wat werkelijk de moeite waard was in hun leven. Was het de rijkdom, die nu door hun vingers zal glippen of deden ze het allemaal toch om iets anders? Treurt Jerry om het verlies van zijn geld of omdat niemand hem meer vriendschappelijk op zijn schouder zal slaan? Het paar probeert in die 24 uur van alles, komt er niet helemaal uit, maar bereikt uiteindelijk wel een soort eindpunt. Het wordt door Pefko met grote menselijkheid beschreven.

Dat is dan ook het moment waarop de oplichter het interessantst is: niet wanneer hij aan de top staat, niet wanneer hij is gevallen, maar in die onbestemde periode daartussen, waarin hij weet dat het einde onafwendbaar is, maar nog niet is aangebroken. Wanneer hij, als een stripfiguur die uit koers is geraakt, merkt dat hij boven het ravijn hangt, wild met zijn benen in het rond maait, maar nog net niet te pletter is gevallen.