Cultuur

Interview

Interview

Slachtoffers van de Utrechtse serieverkrachter aan het woord

Getuigenissen

Bijna twintig jaar duurde het tot de slachtoffers van de Utrechtse serieverkrachter wisten wie de dader was. Deze week werd hij in hoger beroep veroordeeld tot 16 jaar cel. Twee slachtoffers doen voor het eerst hun verhaal.

Slachtoffer 1

Nu 37 jaar, heeft twee kinderen, woont en werkt in een grote Nederlandse stad.

Als vijftienjarig meisje wordt ze in 1995 van achteren aangevallen als ze op de fiets zit, en in een veldje verkracht. Nog altijd durft ze niet in haar eentje in het donker naar huis te fietsen.

„‘Met de politie, regio Utrecht’, zei een stem aan de andere kant van de lijn. Toen wist ik het, dit kon maar één ding betekenen. De man die me zo’n twintig jaar eerder aanviel was gevonden. Een paar dagen eerder had ik ontdekt dat ik zwanger was. En ik was net begonnen aan een nieuwe baan. Ik zou uit eten gaan met mijn nieuwe collega’s, toen mijn mobiele telefoon ging.

„Halleluja, dit was een bom. Hij bestond dus nog. Wat nu, dacht ik, toen ik ophing. Ineens was ik weer twintig jaar terug in de tijd. Alsof het verleden en het heden allebei om voorrang schreeuwden. Want het ging sinds jaren weer echt goed met me, soms dacht ik maanden niet meer aan wat er toen is gebeurd. En nu, nu had ik ineens een blije agent aan de lijn. Ja, dit was waar ik jaren op had gehoopt, maar toch was ik niet helemaal blij. Integendeel. Het kwam me totaal niet uit, alles uit die periode kwam weer naar boven. De film in mijn hoofd begon weer te lopen.

„Ik zag me weer als vijftienjarig meisje op de fiets zitten eind 1995. Het pad richting huis liep langs een weg, op een klein stukje na, waar het fietspad even door het bos ging. Toen ik daar fietste, pakte iemand me bij mijn staart. In een flits zag ik alleen de zijkant van zijn gezicht. De man zei dat hij een mes had, en dat ik met hem mee moest. Toen heeft hij me meegenomen naar een veld. En daar is het gebeurd.

„Het was eigenlijk meteen duidelijk dat ik slachtoffer was van de Utrechtse serieverkrachter. ‘Heb je het al gehoord’, vroegen mijn vriendinnen op school. ‘Hij heeft weer toegeslagen.’ Iedereen had het er over. Ja, waar moet je dan kijken? Ik vertelde het maar aan een paar mensen. Maar voor sommige vriendinnen was het te groot, te moeilijk om er met mij over te praten. Ik heb me heel erg alleen gevoeld, ben ook enkele vriendinnen kwijtgeraakt. Die konden er niet mee omgaan, het was te zwaar, te veel. Ik zal het ze ook wel niet makkelijk gemaakt hebben.

„Maar ik had het praten nodig, anders had ik hier niet meer gezeten. Echt niet. Als ik het er een langere periode niet over had, hoopte het op in mijn lijf. Zo voelde het letterlijk, dat je lichaam te vol zit met gedachten. Ik kreeg dan weer flash-backs en nachtmerries. Dan was het in mijn droom ineens weer die ene dag in 1995, en zat ik op mijn fiets. Ik had mezelf aangeleerd om wakker te worden zodra ik door had welke kant de nachtmerrie op ging. Alleen door er over te praten kon ik functioneren. Dan werden de flash-backs eventjes minder.

Ik had mezelf aangeleerd om wakker te worden zodra ik door had welke kant de nachtmerrie op ging

„Ik ging in Utrecht studeren, vluchtte in de boeken. Elk moment dat ik studeerde, hoefde ik er niet aan te denken. Tot hij in 2001 ineens weer toesloeg. Daar was hij weer. Bij de universiteit hingen posters, het was het gesprek van de dag. Dan ben je er maandenlang weer elk moment van de dag mee bezig. En je medestudenten weten van niks.

„En toen stopte hij opnieuw. De jaren gingen voorbij zonder echt nieuws. Ik dacht dat hij dood was, of verhuisd. Ik moest door, wat moet je anders? Het ging wat beter met me, ik dacht soms dagenlang niet aan de zaak. Maar toch, bij elke vadsige man met donkere jas en sjaal dacht ik: nou, het zou hem zomaar kunnen zijn. Als ik iemand die op hem leek in de supermarkt zag, durfde ik er soms niet langs.

„Zie je deze papieren? Dat zijn alle vragen die jij vandaag kunt stellen, die heb ik opgeschreven, met de antwoorden eronder. Ik wil greep houden op alles in mijn leven, ik ben één keer zo erg de controle kwijt geweest. Dat laat ik echt nooit meer gebeuren.

„En toen kwam dat telefoontje, in 2014. Ze hadden hem. Op internet vond ik al snel een foto zonder balkje. Ik wilde weten wie deze mysterieuze figuur was, dat heb ik me twintig jaar afgevraagd.

„Ik wilde per se naar de rechtszaak, ik moést gaan. Ik zou mijn jongere ik echt ontkennen als ik dit voorbij zou laten gaan. Hij zei bijna niks, steeds opnieuw dat hij zich op zijn zwijgrecht wilde beroepen. Maar die stem, dit was hem. Toen ik hem hoorde praten was ik meteen terug in 1995. Net alsof je zou rondlopen in je vroegere basisschool, en terwijl je daar bent, al je herinneringen terugkomen. Dat had ik met die stem.

Toen ik hem hoorde praten was ik meteen terug in 1995

„De nachtmerries en de flash-backs kwamen terug. Dat ik echt dacht: dit hebben we toch al gehad? Maar ik kwam er achter dat ik twintig jaar lang gewoon maar ben doorgegaan. Alsof er iets in je buik zit, of op je rug, iets dat irriteert, maar wat je gewoon bent gaan vinden. Ik heb weer professionele hulp gezocht, ik heb het gevoel dat ik nu écht door de pijn ga.

„Ik durf nog steeds niet door het donker te fietsen in mijn eentje, dat zal wel altijd zo blijven. Maar toch, de wond kan nu eindelijk echt genezen. Het is zo belangrijk dat in oude zaken onderzoek gedaan blijft worden. Want ook na twintig jaar verandert je leven door het vinden van de dader.

„Hij is veroordeeld tot de maximale straf, dat geeft me rust. Hij loopt niet meer vrij rond. De wereld is een klein stukje veiliger geworden, maar mijn wereld een stuk veiliger. Het verhaal is af, het is rond. Eindelijk. Ik kan nu een begin maken om het af te sluiten. En dat is echt al heel wat. De helling van het dal waaruit ik opklim, vlakt steeds verder af. We komen er wel uit.”

Slachtoffer 2

Ze is nu 40 jaar, heeft één kind, woont in het oosten van het land, werkt als administratief medewerker.

Ze is negentien als ze in 1995 op een afgelegen weggetje wordt gegrepen door een man. Ze gilt, en weet te ontkomen. Pas als bijna twintig jaar later de Utrechtse serieverkrachter wordt gepakt, beseft ze écht hoeveel impact die gebeurtenis heeft gehad op haar leven.

„Ik reed over een smal bruggetje, door het bos, naar mijn huis. Ik had het gevoel dat er iemand achter me fietste. Een huisgenoot, dacht ik. Toen ik het bruggetje over was, wilde ik omkijken. Maar dat ging niet, iemand greep me in mijn nek. ‘Niet naar me kijken, niet naar me kijken’, riep de man. ‘Het bos in, jij.’ Hij probeerde me een smal paadje in te krijgen, maar omdat we wat afremden, liet hij me even los. Ik ben heel hard gaan gillen. Toen kon ik wegfietsen. Ik keek nog één keertje om, en zag dat hij naar me stond te kijken. Daarna keek ik niet meer, maar fietste ik zo hard als ik kon.

„Toen ik de man beschreef aan de politie was het al snel duidelijk: dit moest de Utrechtse serieverkrachter zijn. Ik kon alleen maar denken: ik ben zo blij om wat me bespaard is gebleven. Dat heb ik jaren geroepen: gelukkig ben ik aangerand en niet verkracht. Daar heb ik me heel lang achter verscholen. Zo van: ik heb geen kleerscheuren, dus waar hebben we het over? Ik ging vooral veel uit, ik leefde gewoon door.

„Maar het ging niet goed met me. Ik werkte met verstandelijk gehandicapten, en raakte overspannen. Toen ik weer ging werken, werd ik twee keer door een patiënt bij mijn nek gegrepen. Ik moest mijn werk opgeven, dat ook mijn passie was. Als de dagen korter werden, werd ik kortademig: zo bang was ik in het donker te fietsen. Ik durfde niet meer met mijn rug naar een situatie te zitten, uit angst dat iemand van achteren zou aanvallen. Ik wilde alles onder controle houden. Mijn lijf ging op slot. Ik was altijd dol op fysiek contact, maar het genieten daarvan verdween. Seks werd heel moeilijk, een orgasme krijgen is me sinds die ene dag niet meer gelukt.

„Veel mensen om me heen wisten wat er gebeurd was, ik had een manier ontwikkeld om het mensen te vertellen. Altijd dezelfde woorden, ik drukte op play, en ik sprak de zinnen uit die voor mij al roestig waren geworden. Zonder emotie. Soms vond ik het zelfs leuk om te choqueren. Als mensen naast me zaten te praten over de serieverkrachter, dan zei ik: ‘Ja, lekker, je hebt het wel over mij, hè.’ Dat heelde me op dat moment, tenminste, dat dacht ik toen. Maar uiteindelijk schiet je daar natuurlijk niks mee op.

„Aan hém dacht ik nooit meer, tot die dag in 2014. We zouden die nacht op vakantie gaan, naar Frankrijk. De auto stond al vol met bagage. Nog even op bezoek bij vrienden, toen mijn telefoon ging. De politie. Mijn maag draaide om, ik wist waarvoor ze belden. Die agente was zo blij, en ik stond daar maar, met die telefoon in mijn hand. ‘Leuk’, zei ik. En ik dacht: ik moet op vakantie, we moeten nog inpakken, we gaan vannacht op vakantie.

„Alle veiligheid in je leven verdwijnt, alles wat je gewend bent is niet meer zoals het was. We zijn gewoon naar Frankrijk gegaan, en ik voelde meteen dat het niet goed zat. Ik besefte ineens dat er iets in mezelf zat wat ik zo’n twintig jaar had genegeerd. En ik wilde niet opnieuw, net als toen, gewoon maar doorgaan. Nu was hij er, kreeg die man van toen een gezicht. Dit was het moment om aan de slag te gaan met het trauma dat ik zo’n twintig jaar verwaarloosd had.

Er is iets kapot bij ons, er is ons iets afgenomen

„Ik ging naar elke zitting toe. Ik ontmoette de andere slachtoffers. Allemaal mooie, krachtige vrouwen, allemaal met een randje. Toen ik hun verhalen hoorde, hoorde ik mezelf. Er is iets kapot bij ons, er is ons iets afgenomen. En ik had het gevoel van: zie je wel, ik ben niet achterlijk. Dit is echt met mij gebeurd, en zo’n beetje alles in mijn leven heeft hiermee te maken.

„Toen de rechter zijn vonnis uitsprak was het minutenlang stil. Het was klaar, dit was het dus. Ik durf nu weer te accepteren hoe ik me werkelijk voel. Ik zie de puzzelstukjes van wie ik echt ben weer liggen. Maar nu moet ik de barsten glad gaan strijken, want het is niet zo dat alles nu klopt. Ik ben eigenlijk helemaal niet gelukkig. Maar ik voel het tenminste, dat is al heel wat.

„Na de uitspraak van de rechter in eerste aanleg sprak ik met mezelf af dat ik van de Euromast zou abseilen. Iets doen wat je nooit doet, de controle eens helemaal los laten. Ik wilde gaan leven, en niet meer bang zijn. Dan moet je over dat randje stappen, de diepte in. ‘Laat je maar naar achteren vallen’, hoorde ik. En toen moest ik het zelf gaan doen. Ik had dat touw in mijn handen, en ging langzaam naar beneden. De tranen stroomden over mijn wangen. Wauw, dacht ik. Ik kan dit gewoon.”