Recensie

De wonderbaarlijke wederopstanding van het Hebreeuws

Ergens in de derde eeuw moet de laatste moedertaalspreker van het Hebreeuws zijn overleden. De taal werd daarna ruim 1.500 jaar lang alleen schriftelijk gebruikt. Maar zie, in 1882 werd in Palestina de eerste moedertaalspreker van een moderne vorm van Hebreeuws geboren: Itamar Ben-Avi. Dit jongetje, zoon van de Joodse taalactivist Eliezer Ben-Yehuda, werd in zijn vroege jeugd uitsluitend in het Hebreeuws toegesproken.

Inmiddels is het Nieuw-Hebreeuws (ook wel Ivriet) allang weer een gewone taal, met alles erop en eraan, en meer dan acht miljoen moedertaalsprekers. Lewis Glinert, hoogleraar Hebreeuws in de VS, schreef een boek over de unieke geschiedenis van de taal. Hij laat vooral zien hoe het Hebreeuws, toen het de facto een dode taal was, toch steeds, eeuwenlang, door allerlei mannen (en een heel enkele vrouw) een klein beetje levend werd gehouden: ze lazen Hebreeuws en ze probeerden erin te schrijven, vooral religieuze teksten, maar soms ook wetenschappelijke werken en poëzie.

Het Hebreeuws heeft – of het nu levend was of dood – altijd veel andere talen om zich heen gehad. In de Oudheid spraken lang niet alle Joden Hebreeuws. Rond het jaar nul spraken de meeste Joden, onder wie misschien Jezus, Aramees of (de hogere laag) Grieks. Later, toen het jodendom zich over verschillende werelddelen verspreid had, ontstonden er joodse varianten van het Duits (Jiddisch), Spaans en Arabisch.

Als taal van de joodse bijbel (het Oude Testament) had het Hebreeuws natuurlijk een bijzondere positie. In de Oudheid en in de Middeleeuwen is er eindeloos gedelibereerd en geschreven over zo’n beetje iedere zin en ieder woord in die bijbel. Rondom de heilige tekst ontstond zo een woud aan begeleidende teksten en interpretaties - deels in het Hebreeuws, deels in het Aramees. Gelukkig maar dat dit woud er is, want daarin staan allerlei bruikbare Hebreeuwse woorden die niet in de bijbel zelf voorkomen. Andere, nieuwe woorden die de schrijvers van het Hebreeuws in de Middeleeuwen nodig hadden werden aan andere talen ontleend of met behulp van bestaande Hebreeuwse woorden in elkaar geknutseld.

Er zijn in de loop der eeuwen ontzettend veel verschillende ideeën en verlangens op dat Hebreeuws geprojecteerd. Mensen hadden het op de een of andere manier nodig voor hun identiteit, maar om wat voor identiteit het dan ging, dat kon heel erg uiteenlopen: van zeer religieus-orthodox, tot zeer seculier-modern.

De wederopstanding van het Hebreeuws was een klein wonder, al zijn er de nodige parallellen met hoe zich in Europa de standaardtalen (Hoogduits, Engels, Standaard Nederlands) hebben gevormd. Glinert spreekt in dit verband van een ingewikkeld proces van „linguistic engineering”, dat niet voortkwam uit een groot gecoördineerd plan, maar uit een ingewikkelde wisselwerking tussen wat allerlei verschillende groepen mensen met dat nieuwe Hebreeuws wilden doen.

Glinert maakt er een heel boeiend verhaal van en heeft ook oog voor mooie details en anekdotes. Het boek werd gesubsidieerd door het Tikvak Fund, dat zichzelf omschrijft als „politically zionist” en „culturally traditional”. Glinerts kijk op de Joodse geschiedenis is misschien inderdaad iets te traditioneel. Hij schrijft bijvoorbeeld dat de Romeinen in 135 „een miljoen” Joden hebben gedeporteerd en verjaagd – een schatting waar niet alle historici het met mee eens zullen zijn. Ook gaat hij nauwelijks in op wat de wederopstanding van het Hebreeuws betekend heeft voor de niet-Joden in Palestina en later Israël.