Aardbevingen in Groningen

Kijk voor compensatie naar buitenland

Illustraties Cyprian Koscielniak

Freek de Jonge (NRC 7/2) vergeleek ooit de Groningse aardbevingen (in twintig jaar geen enkel geval van fysiek letsel) met de watersnoodramp van 1953 (in twee etmalen bijna tweeduizend doden). Een conferencier mag overdrijven maar moet wel geloofwaardig blijven.

Mijnbouwschade is niet uniek voor Noordoost Groningen of Nederland. Wie op Induzierte Seismizität im Ruhrgebiet googelt krijgt een overzichtskaartje dat bezaaid is met de epicentra van (lichte) aardbevingen veroorzaakt door de kolenmijnbouw in het Roergebied. En bij de bruinkoolmijnbouw in het Duitse gebied dat grenst aan Limburg zijn hele dorpen verplaatst. Onze beleidsambtenaren zouden hun neus eens over de grens moeten steken en informeren naar de schaderegelingen daar. In ons eigen Zuid-Limburg, dat t.g.v. de kolenmijnbouw lokaal zo’n tien meter is verzakt, zijn mogelijk meer panden gesloopt wegens mijnbouwschade dan in Oost Groningen. Maar de Limburgers werden volgens een vaste regeling naar tevredenheid gecompenseerd en wisten ook dat de kolenmijnbouw de kurk was waarop hun welvaart dreef. Voor de exploitatie van het Groningse aardgas is destijds bewust een zeer complexe organisatie ingericht (het zgn. Gasgebouw) die zo is ingestoken dat linksom of rechtsom, direct of indirect, het leeuwendeel van de netto baten neer slaat bij de Staat. Het zou daarom billijk zijn dat de Staat de compensatie van de gedupeerde Groningers niet overlaat aan z’n uitvoerder, de NAM, maar die zelf ter hand neemt en ruimhartig uitvoert. Van een staken van de gaswinning hoort geen sprake te zijn: Nederland kan zich niet permitteren de kip te slachten die de gouden eieren legt waarmee onze verzorgingsstaat is bekostigd.