Vrouwen blijven korter hoogleraar

Benoemingen universiteiten

Honderd jaar nadat de eerste vrouwelijke hoogleraar aantrad, krijgen nog altijd veel minder vrouwen een wetenschappelijk baan aan een universiteit dan mannen. Ook behouden ze die functie korter. Pas in 2060 kan seksegelijkheid op dit terrein worden bereikt, meent het Rathenau Instituut.

Een cortege van hoogleraren tijdens de opening van het academisch jaar op de Erasmus Universiteit in 2014. Foto Bart Maat/ANP

Vrouwen stoppen veel eerder met een wetenschappelijke baan bij een universiteit dan mannen. Dat blijkt uit een analyse door het Rathenau Instituut van cijfers van het CBS en de VSNU, de brancheorganisatie van universiteiten.

Dat maakt het moeilijker om het aantal vrouwelijke hoogleraren te laten groeien. Het kabinet streeft naar groei. Vrijdag is het precies honderd jaar geleden dat de eerste vrouwelijke hoogleraar, Johanna Westerdijk, haar oratie voor de universiteit van Utrecht uitsprak.

Lees ook dit profiel van Johanna Westerdijk: Eeuw geleden werd eerste vrouw professor

De gemiddelde leeftijd waarop mannen tot hoogleraar worden benoemd is 49,1 jaar, terwijl ze die functie 8,9 jaar behouden. Vrouwen krijgen gemiddeld op jongere leeftijd een hoogleraarsbenoeming (47 jaar) maar ze vertrekken al na 7,1 jaar. Bij docentschappen is het verschil nog groter. Vrouwen zijn gemiddeld 5,1 jaar universitair hoofddocent versus 7,8 jaar voor mannen. Voor universitair docenten is dat 5,5 jaar voor vrouwen en 8,1 jaar voor mannen.

Het is onduidelijk waarom vrouwen eerder vertrekken, zegt Melanie Peters, directeur van het Rathenau Instituut. „Universiteiten moeten bij zichzelf te rade gaan. Hoe komt dat?”, zegt ze. „Springen vrouwen zodanig in het oog dat ze worden weggekocht voor fantastische functies elders? Of voelen ze zich niet thuis in het universitaire milieu?”

De kortere verblijfsduur van vrouwen aan de universiteit komt bovenop de achterstand in het aantal vrouwelijke gepromoveerden die in aanmerking komen voor het hoogleraarschap. Pas in 2015 waren er in Nederland evenveel vrouwelijke als mannelijke gepromoveerden. De gemiddelde leeftijd bij een promotie is 29,5 jaar. Het duurt vervolgens gemiddeld 19 jaar voor een gepromoveerde via een universitair docentschappen hoogleraar wordt. Als carrières genderneutraal zouden verlopen, moeten de benoemingen van hoogleraren in 2015 dus een afspiegeling zijn van het aantal gepromoveerden van 19 jaar eerder, aldus het instituut.

Nederland bungelt onderaan

„Het is pas twintig jaar geleden dat veel vrouwen na hun studie aan de universiteit gingen promoveren”, zegt Peters. „Daarin bungelt Nederland onderaan. Vergeleken bij het buitenland heeft het ook lang geduurd voordat vrouwen massaal de arbeidsmarkt op gingen. Vandaar dat op Europese lijstjes ook het aandeel vrouwelijke hoogleraren laag is.”

Alleen in de geneeskunde zijn de verhoudingen gunstiger. Daar was in 2006 het aantal vrouwelijke gepromoveerden al even hoog als het aantal mannelijke en nu halen vrouwen daar 62 procent van de promoties.

Volgens het Rathenau Instituut zullen er pas in 2035 evenveel mannelijke als vrouwelijke gepromoveerden zijn met een gemiddelde wetenschappelijke ervaring die leidt tot een hoogleraarsbenoeming. Als vanaf dan 50 procent van de benoemingen naar vrouwen gaat, wordt pas in 2060 volledige gelijkheid bereikt. „We hebben nog een hele mannelijke groep hoogleraren die je niet in een keer weg krijgt”, zegt Peters.

Nu worden jaarlijks gemiddeld 276 nieuwe hoogleraren aangesteld (op 4.500 gewone en 1.340 buitengewoon hoogleraren). In 2015 was 27 procent van de nieuwe benoemde hoogleraren vrouw. Dat is iets hoger dan kan worden verwacht op grond van de 19 jaar eerder gestarte wetenschappelijke carrières. Het sterkste verschil is er bij de technische wetenschappen, waar 11,5 procent van de hoogleraarsbenoemingen uit vrouwen bestaat, terwijl vrouwen 19 jaar eerder goed waren voor slechts 6,1 procent van de promoties.

Volgens de VSNU is nu 18 procent van de hoogleraren vrouw. De universiteiten hebben beloofd dat per 2020 het aandeel vrouwelijke hoogleraren 24,5 procent is. „De minister van Onderwijs wil versneld vrouwen aannemen”, zegt Peters. „Ook in Europa wordt daarop aangestuurd. Maar alleen een aanstelling is niet voldoende. Je moet ze ook nog vasthouden.”