Vooral bodemleven vormt de nieuwe natuur

Biologie

Het bodemleven van een akker die weer natuur wordt kan er langer dan 30 jaar over doen om een stabiel en rijk biosysteem te worden.

Nieuwe natuur op de Veluwe. Foto iStock

In Nederland wordt nieuwe natuur vaak ontwikkeld op verlaten landbouwgrond. Op zo’n vers stuk natuurgebied groeien de planten eerst tot schouderhoogte, maar de bedoeling is dat de begroeiing door regelmatig maaien schraler wordt en er meer bijzondere planten gaan groeien. Het is een proces dat tientallen jaren in beslag neemt.

Wat er in de bodem gebeurt en leeft is daarbij meestal geen aandachtspunt, schreven Nederlandse ecologen afgelopen woensdag in een wetenschappelijke studie naar nieuwe graslanden, in Nature Communications. En dat is onterecht, aldus eerste auteur Elly Morriën. „Een beter functionerend voedselweb in de bodem is een voorwaarde voor de veranderingen in de plantengemeenschap, denken wij.”

Die conclusies volgen uit een studie op negen tot natuurgebied omgevormde akkers op de Veluwe. Zelfs tussen vijftien en dertig jaar nadat een akker verlaten is, kan het ondergrondse ecosysteem nog beter gaan functioneren. Vooral schimmels spelen daarbij een belangrijke rol.

In de studie, die onder leiding stond van het Nederlands ecologisch instituut NIOO-KNAW, werkten zo’n vijftien Europese biologische instituten samen om de bodem van de negen natuurgebieden tot in detail te inspecteren.

Op de onderzochte ex-akkers waren voorheen allerlei gewassen geteeld, vooral aardappelen en gerst. Tussen 1982 en 2005 waren de akkers verlaten om ze te laten ontwikkelen tot natuurlijke graslanden. In 2011 deden de biologen veldwerk, waarbij ze al lang verlaten akkers vergeleken met akkers die korter (tot 6 à 9 jaar) natuur waren. De biologen deden dus geen langjarig veldwerk, maar kregen toch een beeld van de lange termijn.

In de loop der jaren verschuift de soortensamenstelling van de planten op de Veluwse graslanden, en ook van het bodemleven: bacteriën, schimmels, en dieren zoals aaltjes, insecten en spinnen. Die bodemorganismen gaan in de loop der tijd bovendien een „strakker” voedselweb vormen. Er ontstaat een eenduidiger patroon van groepen organismen die samen optrekken, bijvoorbeeld van bacteriën en amoebe-achtige organismen die bacteriën eten.

Morriën: „Het is alsof de verschillende functionele groepen op elkaar afgestemd raken, en weten hoe ze elkaars restmateriaal kunnen gebruiken.” In oude graslanden scheiden plantenwortels minder suikers uit dan in jonge graslanden. Maar van die suikers in de bodem komt relatief meer terecht in schimmels, bleek uit metingen. De oorzaak kan zijn dat meer uiteenlopende typen schimmels zich ontwikkelen, of dat schimmels in onverstoorde bodems meer draden kunnen vormen. Van die voedingsstoffen in schimmels profiteren vervolgens bodemdieren.

De hypothese van de onderzoekers is dat het bodemleven op deze manier meer voedingsstoffen in de bodem vasthoudt, waardoor er minder beschikbaar is voor planten. Dat bevordert dus de verschraling van het grasland, en dat is gewenst.

De onderzoekers doen geen concrete aanbevelingen om gunstige omstandigheden voor bodemschimmels te creëren.