Pomelo

Bij de Chinese supermarkt liep ik tegen een kist pomelo’s aan, een rood netje om hun plompe lijf. Het was koud buiten, erwtensoepweer. Maar bij het zien van die gele zonnetjes kreeg ik acuut zin in een salade. Zo’n zinderende Thais-geïnspireerde salade waarin het zoete, zure, zoute en hete je mond bijna laten exploderen. Dat is ook een manier om de winter te lijf te gaan.

De pomelo is een kruising tussen een pompelmoes en een grapefruit. Soms is de schil nog groen, of groenig. In Nederland zie je ze vaker geel. De vruchten zijn al snel 20 tot 25 cm in diameter. Maar reken u niet te rijk: veel van dat volume bestaat uit een dikke witte, oneetbare membraanlaag. De schil is dan weer wel geschikt voor consumptie. Hij kan worden gekonfijt, er kan marmelade van worden gemaakt, en in de Kantonese keuken bijvoorbeeld, wordt hij gestoofd in een donkere saus.

Pomelovruchtvlees is wat steviger en minder sappig dan dat van grapefruit. De smaak lijkt erop, maar mist het bittertje van de grapefruit dat sommige mensen tegenstaat. Ze zijn ook wat minder zuur. Hoewel ik ze ook af en toe zo eet, uit het handje, maak ik er dus het liefst een salade van. Met nog een zakje chilipepers, sjalotten, kruiden en pinda’s in mijn winkelkarretje (en in de koelkast zo’n bakje met blokjes kokosvruchtvlees die ik zo graag oppeuzel achter mijn bureau) kon ik thuisgekomen zo aan de slag.

Een handige manier om een pomelo te slachten is om de schil met een scherp gekarteld mes in de lengterichting in vier segmenten te verdelen, en dan een voor een met je vingers de kwarten schil met zoveel mogelijk wit te verwijderen. Daarna kun je de partjes makkelijk losmaken en het vruchtvlees uit de velletjes peuteren – die velletjes zijn erg stug, dus die eet u liever niet op.