NAVO-geschil voor Nederlandse rechter

VN-missie afghanistan

Het conflict tussen Supreme en de NAVO over een brandstofclaim mag door een Nederlandse rechter worden behandeld.

De rechtbank in Maastricht acht zich bevoegd te oordelen in een geschil tussen brandstofleverancier Supreme en twee onder de NAVO vallende organisaties. Dat blijkt uit een uitspraak van woensdag. Supreme claimt 432 miljoen euro aan achterstallige betalingen van Allied Joint Force Command Headquarters Brunssum (JFCBS) en Supreme Headquarters Allied Powers Europe (SHAPE). Het gaat om de levering van brandstof tijdens de ISAF-vredesmissie in Afghanistan tussen 2006 en 2014.

Volgens de rechtbank hebben JFBCS en SHAPE in beginsel „functionele immuniteit van rechtsbevoegdheid”. Dat betekent dat een Nederlandse rechter zich niet mag uitspreken, omdat het een internationale missie met VN-mandaat was. Maar de rechtbank vindt ook dat er geen verdragsrechtelijke basis is voor die immuniteit. Bovendien raakt het geschil niet aan de kern van de ISAF-opdracht, vrede handhaven en/of forceren.

Maar volgens de uitspraak is de belangrijkste overweging dat als een Nederlandse rechter zich onbevoegd acht, er geen alternatief is voor een redelijk en eerlijk proces. Daarop heeft elke persoon of rechtspersoon volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens recht.

In december 2016 betoogde advocaat Luycks namens JFCBS en SHAPE dat internationale verdragen, jurisprudentie en internationaal gewoonterecht uitsluiten dat een nationale rechter zich uitspreekt over geschillen als deze. Advocaat Alberga van Supreme concludeerde op basis van grotendeels dezelfde bronnen dat de Nederlandse rechter wél bevoegd is.

De rechtbank bekijkt op 4 oktober wanneer de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. Voorwaarde is dat er ook een uitspraak ligt in het verwachte hoger beroep van (een van) de partijen over de bevoegdheidskwestie.

De NAVO eist overigens op haar beurt 700 miljoen van Supreme. VPRO-radioprogramma Bureau Buitenland berichtte dinsdag dat accountants bij de NAVO al in mei 2010 waarschuwden dat te veel werd betaald voor brandstof voor de Afghanistan-missie. In een intern document stelden ze dat onvoldoende duidelijk was wat in rekening mocht worden gebracht. Uit de cijfers zou blijken „dat we niet weten waarvoor we betalen en waarom”. Volgens de accountants werden bedragen in rekening gebracht „boven wat verwacht mag worden of wat redelijk is”, zelfs als rekening werd gehouden met de oorlogsomstandigheden in Afghanistan.