Column

Mondriaan, hoe danste die? Nou, zo

Hans van Manen is de Mondriaan van de dans, maar niet omdat zijn dans op die schilderijen lijkt. Het ligt anders. Mondriaan herdefinieerde de schilderkunst en net zo maakte Van Manen alle dans vóór hem tot iets uit een voorbije tijd.

Foto Erik van Zuylen

Over Piet Mondriaan wordt veel geschreven. Kunstwerken bieden een kijkje in de ziel van de kunstenaar, daarom zijn ze onweerstaanbaar. Maar die van Mondriaan jagen ook angst aan: wat was dit voor een man? „Piet is altijd zo rechtlijnig”, zou Theo van Doesburg gezegd hebben. Dat schijnt een fabeltje te zijn, maar het slaat de spijker op de kop. Ik kijk naar Mondriaans onkreukbaar consequente werk en voel me onverdedigbaar frivool. En ik ben de enige niet – vandaar, vermoed ik, dat er zo vaak wordt opgemerkt dat Piet Mondriaan graag danste. Een hele opluchting. Zelfs hij, die man van die ongenaakbare schilderijen, danste.

„Hoe dan?”, vroeg ik Hans van Manen. Het was 1994, en ik sprak hem over Compositie, het ballet dat hij maakte ter ere van Mondriaans 50ste sterfdag. Van Manen stond op, zei „zo” en danste een strakke rechthoek over de vloer. En Compositie? Was dat Mondriaan-in-dans? Nee. Het was puur Van Manen: zonneklaar, compleet beheerst en per definitie sensueel. Nooit zag ik een danseres zo wulps een tafelpoot strelen.

De tekst gaat verder na de video

Toch heet Hans van Manen routineus „de Mondriaan van de dans”, en daarbij wordt dan standaard verwezen naar zijn „heldere lijnen”. Ja, die lijnen zijn helder. De rest is compleet anders. Onder controle maar uitbundig. Ja, Van Manen is de Mondriaan van de dans, maar niet omdat zijn dans op die schilderijen lijkt. Het ligt anders. Mondriaan herdefinieerde de schilderkunst en net zo maakte Van Manen alle dans vóór hem tot iets uit een voorbije tijd.

Ik ga naar het Amsterdamse Paradiso voor Summer Dance Forever. House, hiphop, breakdance. Een danswedstrijd. Een battle. En het is fantastisch. In een soort boksring worden tweekampen uitgevochten, telkens met twee minuten geïmproviseerde dans. In de ring zijn de seksen gelijk, mannen en vrouwen strijden tegen elkaar. Van mij mag iedereen winnen, maar door de jurering leer ik dat de goeie hiphopper of breakdancer zoekt naar de kern van een beweging. Het gaat om de essentie van het eigen dansende lichaam. Extatisch is goed, maar een beweging is liefst compact – en dat is moeilijker naarmate je groter bent. Maar lukt het, dan is het geweldig. Zoals Kwame – een lange jongen, te lang eigenlijk om bewegingen samen te ballen. Maar hij volgt de muziek alsof alles aan hem stroomt, viriel dansend en teder wiegend, sierlijk als een kraanvogel. Of de zware Bembika. Zijn voeten bliksemen, terwijl hij zijn lichaam onwaarschijnlijk kalm houdt. Hij explodeert, hij implodeert. Hij maakt van zijn postuur zijn voordeel.

Veel dansers zijn in zichzelf gekeerd, verlegen, ze dansen voor zichzelf. Of ze doen alsof. Ze willen beter zijn dan ieder ander, maar triomfalisme komt pas achteraf.

De jongens en meiden die ik hier zie strijden zijn de echte Mondriaans van de dans. Ze jagen op de essentie van de beweging, zoals Mondriaan joeg op de essentie van wat schilderkunst kan laten zien. En ik kan er uren naar kijken.