Mondriaan en Van der Leck verbaasden elkaar

De schildersvriendschap tussen Bart van der Leck en Piet Mondriaan was vurig en inspirerend. Hun band verwaterde na onmin over het gebruik van schuine lijnen en gemengde kleuren.

Compositie No. 8, 1917. Olieverf op doek, 95 x 130 cm. Bart van der Leck

anneer ze elkaar voor het eerst ontmoet hebben, is niet met zekerheid te zeggen. Maar het moet ergens halverwege de Eerste Wereldoorlog geweest zijn, in het Gooise dorpje Laren. Piet Mondriaan was daar begin 1915 neergestreken in Pension De Linden, na een paar maanden in Domburg verbleven te hebben. In april 1916 verhuisde ook Bart van der Leck met zijn gezin naar Laren. De twee kunstenaars zijn generatiegenoten – Mondriaan is 44, Van der Leck 39 – en gelijkgestemde geesten. Beiden zijn druk bezig met hun artistieke zoektocht naar abstractie. Het klikt, en gedurende anderhalf jaar komen ze bijna dagelijks bij elkaar over de vloer.

Via de kunstkenner Hendrik P. Bremmer, een handelaar in de nieuwste kunst, hadden ze al van elkaars bestaan gehoord. Bremmer was de adviseur van verzamelaar Helene Kröller-Müller, die op het Lange Voorhout in Den Haag een toonzaal had voor haar groeiende collectie. Mondriaans schilderij Pier en Oceaan was daar in 1915 te zien. Van der Leck woonde in de Haagse Bloemenbuurt en kwam in die periode vrijwel dagelijks langs op het Lange Voorhout. De kans is groot dat hij Mondriaans schilderij gezien heeft. En misschien liepen de kunstenaars elkaar in Den Haag al eens tegen het lijf.

Piet Mondriaan in 1917, en Bart van der Leck met dochter in 1915

Foto’s RKD
Boven: Piet Mondriaan, Compositie No. 3 met kleurvlakjes, 1917. Olieverf op doek 48 x 61 cm.Onder: Bart van der Leck, Compositie No. 8, 1917.Olieverf op doek, 95 x 130 cm. Foto’s Gemeentemuseum Den Haag
Piet Mondriaan in 1917 (links), en Bart van der Leck met dochter in 1915.

Hoe dan ook, vanaf het moment dat de twee geestverwanten elkaar tegenkwamen, begon er een wederzijdse beïnvloeding die zou leiden tot de ontwikkeling van een van de belangrijkste avant-gardes van de twintigste eeuw. Want Theo van Doesburg mocht dan de netwerker van De Stijl zijn, en met zijn tijdschrift kunstenaars van heinde en verre met elkaar in contact brengen, het waren Mondriaan en Van der Leck die verantwoordelijk waren voor de kenmerkende signature style van De Stijl. Vreemd eigenlijk, dat nog niet eerder een tentoonstelling aan deze twee pioniers van de abstracte kunst is gewijd. Het Gemeentemuseum doet dat nu voor het eerst, met de tentoonstelling Piet Mondriaan en Bart van der Leck. De uitvinding van een nieuwe kunst.

Rood-geel-blauw was een perfecte reclameslogan

„Het rood-geel-blauw dat in de afgelopen honderd jaar de wereld veroverd heeft, was toen al een perfecte reclameslogan”, zegt Hans Janssen, hoofdconservator van het museum en samensteller van de tentoonstelling. „Don Draper van Mad Men had het niet beter in de markt kunnen zetten. Maar zo bedacht was het natuurlijk niet. Bij Mondriaan was het kleurgebruik de uitkomst van vijftien jaar onderzoek. Hij kwam uit de landschapsschildertraditie van de Haagse School en was zeer geoefend in het op elkaar afstemmen van kleuren. Van der Leck was al eerder met die primaire kleuren bezig. Het gebruik van rood, geel en blauw komt bij hem vandaan.”

Hoe ontstond De Stijl? Bekijk onze video:

Glas-in-loodkunstenaar

eide kunstenaars hadden heel uiteenlopende achtergronden. Mondriaan studeerde aan de Rijksacademie voor de Kunst in Amsterdam en ontwikkelde zich tot landschapsschilder, totdat hij in 1912 in Parijs in contact kwam met het kubisme en steeds abstracter ging werken. Van der Leck werd opgeleid aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam en werkte vanaf zijn vijftiende in verscheidene glasschilderateliers in en om Utrecht. Zijn benadering van kleur en vorm kwam voort uit de praktijk: van het werken met glas-in-lood, waarbij de grijze loodlijnen de kleurvlakken strak omlijnden.

Terwijl Mondriaan in 1916 nog in een kubistische, schilderachtige stijl werkte, schilderde Van der Leck al in egale vlakken. Die „exacte techniek”, zoals Mondriaan Van der Lecks werkwijze noemde, nam hij al snel over. Op het schilderij Compositie (1916), een mooie bruikleen uit het Guggenheim Museum in New York, is te zien hoe Mondriaan zijn kleurvlakken begrensd heeft met zwarte lijnen. „Dat is duidelijk de invloed van Van der Leck”, zegt Janssen. „Al zijn de lijnen nog heel schetsmatig en blijven de kleurvlakken open. Mondriaan leert van Van der Leck dat hoe strakker je die lijnen definieert, hoe expressiever het kunstwerk wordt. Een jaar later, in 1917, heeft Mondriaan die heldere stijl ook toegepast.”

Andersom is voor Van der Leck Mondriaans zoektocht naar abstractie inspirerend. In navolging van Mondriaan begint Van der Leck vanaf 1917 zijn doeken ook ‘composities’ te noemen en durft hij de figuratie los te laten. Janssen: „Mondriaan benaderde de schilderkunst op een haast wetenschappelijke manier. Zijn atelier was zijn laboratorium, waar hij empirisch onderzoek deed. Van der Leck reduceerde simpelweg zijn figuratieve voorstellingen tot de essentie, totdat nog slechts een paar lijntjes overbleven. Maar Mondriaan bouwde zijn voorstellingen op vanuit het hoofd. Hij had het skelet van zijn compositie al voor ogen voordat hij met schilderen begon. Zo werd de term ‘abstractie’ in die tijd trouwens ook gezien: als ‘dat wat van de geest is’.”

Compositie No. 3 met kleurvlakjes, 1917. Olieverf op doek 48 x 61 cm. Piet Mondriaan

In de catalogus die bij de tentoonstelling verschijnt, staan fragmenten uit de brieven die de Stijl-kunstenaars elkaar schreven. Tot in detail wordt daarin gesproken over omlijningen, overlappingen, kleurstellingen. Terwijl in de rest van Europa de oorlog woedde, konden Mondriaan en Van der Leck in het neutrale Nederland dagenlang mijmeren over de vraag of kleurvlakjes elkaar wel of niet mochten raken.

„Dat isolement zorgde ook voor de juiste concentratie”, zegt Janssen. „Het had het effect van een hogedrukpan. Je kunt je nu haast niet meer voorstellen hoe vooruitstrevend hun werk voor die tijd was. In Amsterdam keken schilders als Breitner nog altijd op naar hun grote held Rembrandt. In 1909 schreef Frederik van Eeden nog over Mondriaan dat hij geestesziek moest zijn. Mondriaans schilderij De rode wolk uit 1907 werd verketterd. Dat was behoorlijk traumatisch voor hem. Vandaar dat hij helder wilde uitleggen waar zijn schilderkunst over ging en zijn ideeën tot in detail op papier zette. Toen Mondriaan in 1917 door Theo van Doesburg werd uitgenodigd een artikel voor De Stijl te schrijven, had hij al een heel manuscript klaar liggen, dat hij vervolgens zo als feuilleton in het tijdschrift kon publiceren.”

Principiële standpunten

aar zo gelijkgestemd als Mondriaan en Van der Leck waren, ze verschilden op principiële standpunten ook van mening. Gaandeweg ontstonden er haarscheurtjes in de vriendschap. Mondriaan bleef zijn kleuren mengen, Van der Leck hield vast aan zijn primaire kleuren. En terwijl Van der Leck zijn composities van geometrische vormen zo open mogelijk wilde houden, met individuele kleurvlakken die zweven in het witte vlak, begon Mondriaan de verschillende vormen juist door middel van lijnen aan elkaar te verbinden.

Waar Mondriaan dan weer niet zo goed tegen kon, was het gebruik door Van der Leck van diagonalen en ruitvormen. In 1918 introduceerde Van der Leck geometrische vormen met niet-rechte hoeken, zoals parallellogrammen, driehoeken en zelfs vijfhoeken in zijn composities. Dat ging in tegen de geloofsbeginselen van De Stijl, waarbij „de enige lijn ‘de volstrekte lijn’ is – die niet een beetje recht is, maar kaarsrecht – zo is de enige hoek ‘de absolute hoek’ en die is 90 graden”.

Om te zeggen dat de vriendschap uit elkaar klapte vanwege een schuine lijn, gaat te ver. Maar er waren zeker irritaties over. In juni 1918 schreef Mondriaan aan Van Doesburg: „Ook over de schuine lijn ben ik ’t met je eens: zoo gauw als die in vereeniging met ’t rechte voorkomt, vind ik ’t af te keuren.” En, zei hij in dezelfde brief: „Ik spreek tegenwoordig niet meer met v.d. Leck over ’t werk: we gaan elk ons gang, dat is maar ’t beste. In den grond hebben we veel gemeen, maar, ook volgens hem, willen we elk anders.”

Misschien waren hun karakters wel te verschillend voor een langdurige vriendschap. Van der Leck was een zwijgzame, stugge man, die nooit het achterste van zijn tong liet zien. Mondriaan was juist heel direct, radicaal en eigengereid, een ‘bon vivant’. Een knallende ruzie is er tussen de twee kunstenaars nooit geweest, denkt Janssen. „Ze hebben langzaam steeds meer afstand van elkaar genomen en het contact laten verwateren. Heel protestants eigenlijk.”

In de zomer van 1919 keerde Mondriaan terug naar Parijs en stopte het contact tussen de twee kunstenaars. Janssen: „Vanaf dat moment gingen ze ieder hun eigen weg. Maar ze hadden elkaars carrière wel een enorme zwiep gegeven. Mondriaan en Van der Leck kwamen uit tegengestelde richtingen, ontmoetten elkaar op de kruising, waren stomverbaasd over elkaars werk en positie, en liepen tenslotte maar door, toen bleek dat het toch anders lag. Ondertussen was de wereld veranderd.”