Laat het slimme kind de rest op sleeptouw nemen

Brede brugklas

Hoe kan de school leerlingen betere kansen bieden? Door pas gericht vervolgonderwijs te laten kiezen als ze 15 of 16 zijn. ‘Laag’ kan zich zo aan ‘hoog’ optrekken, zeggen deskundigen. En het is ook beter voor jongens.

Kinderen bezoeken de Zomerschool Samentienplus in de Haagse Schilderswijk. Ze krijgen les in techniek, cultuur en wetenschap. En in sociale vaardigheden en burgerschap. De organisatie wil de kinderen zo een brede basis meegeven, zodat hun kansen in het onderwijs toenemen. Foto David van Dam

Wanneer moeten scholen kinderen selecteren voor vmbo, havo of vwo? In groep acht van de basisschool? Of pas als ze 15 of 16 jaar zijn? Dat laatste, zeggen steeds meer wetenschappers, onderwijsorganisaties en diverse politieke partijen.

Later selecteren van kinderen geeft hun namelijk betere kansen in het vervolgonderwijs. Daarom groeit de animo om hen langer in brugklassen te houden; een meerderheid van de Kamer bepleitte dinsdag meer geld voor zogenoemde ‘brede brugklassen’. In zo’n verlengde ‘brugperiode’ hebben kinderen langer de tijd om zich te ontwikkelen. Het besluit voor een bepaald schoolniveau valt ook pas later. Dat moet de kansenongelijkheid in het onderwijs tegengaan.

In het onderwijs gaat het al een jaar lang over niets anders: kansenongelijkheid. Het was de onderwijsinspectie die het onderwerp op de kaart zette. De inspectie concludeerde namelijk dat kinderen van laagopgeleide ouders naar een lager schoolniveau doorstromen dan leerlingen met hoger opgeleide ouders – ook als ze even slim zijn. Leerkrachten geven die scholieren met laagopgeleide ouders in groep acht dus een lager schooladvies, bewust of onbewust. En die leerlingen eindigen later ook met een minder goed diploma.

„Niet talent, maar de sociaal-economische herkomst van een kind is in Nederland bepalend voor zijn of haar toekomst”, zegt Alexander Rinnooy Kan, D66-senator en hoogleraar economie en bedrijfskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Dat komt volgens hem omdat wij in Nederland kinderen veel te vroeg selecteren voor één middelbareschoolniveau. Rinnooy Kan noemt het een „foute knip” in het onderwijssysteem. In steeds meer landen verdwijnt die knip, maar hier zorgt die ervoor „dat kinderen niet meer de kans krijgen om zich optimaal te ontwikkelen”.

Foto’s David van Dam

Deze lezing delen velen. Neem Herman van de Werfhorst, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, die onderzoek deed naar vroege selectie. Hij keek naar Europese landen die een onderwijshervorming doorvoerden en leerlingen sindsdien pas scheiden bij 16 jaar. Van de Werfhorst signaleerde een afname van de ongelijkheid: doordat kinderen zich bij latere selectie langer kunnen optrekken aan de slimste in de klas, gaan ze gemiddeld naar een hoger niveau vervolgonderwijs. De slimme kinderen ondervinden geen nadeel van een langer verblijf in ‘brede’ klassen, zegt de socioloog.

Losmaken van milieu

Bij latere selectie krijgen kinderen meer tijd om zich te ontwikkelen én kans zich los te maken van hun milieu. Hoe ouder ze worden, hoe minder invloed hun ouders hebben.

Uit een vorig jaar verschenen proefschrift van Bastian Ravesteijn, onderzoeker aan de Harvard Medical School in de Verenigde Staten, blijkt ook dat de ongelijkheid tussen leerlingen vermindert als ze later gescheiden worden. Ravesteijn onderzocht de schoolkeuzeleeftijd in Finland, die in de jaren zeventig werd verhoogd van 11 naar 16 jaar. „Niet alleen nam voor arme kinderen de kans hogerop te komen toe, ook hun sterftekans verminderde – tot aan hun vijftigste met 20 procent. Hij signaleerde ook een keerzijde. „Bij rijke kinderen gebeurde het omgekeerde; die zagen hun kansen op een succesvolle toekomst afnemen en de sterftekans toenemen.”

Dat zou betekenen dat ‘laag’ zich inderdaad optrekt aan ‘hoog’, maar dat ‘hoog’ daar wel degelijk last van heeft. Een cruciaal verschil met wat Van der Werfhorst zag, want dit zou ervoor pleiten leerlingen van verschillend niveau niét langdurig te mengen en juist eerder te scheiden.

„De meningen hierover zijn sterk verdeeld”, zegt Van de Werfhorst. Verschillende studies laten verschillende uitkomsten zien, weet hij. „Een eenduidige uitkomst ontbreekt.” Toch zijn hij en Ravesteijn het over één ding eens: latere selectie verkleint de ongelijkheid.

Laatbloeiers

Latere selectie is niet alleen goed voor kinderen van laagopgeleide ouders. Het is ook een uitkomst voor laatbloeiers – onder wie veel jongens – en gewone middenmoters, zegt Paul van Maanen, bestuursvoorzitter van ROC Midden Nederland. Van Maanen is groot voorstander van latere selectie: „Het neemt namelijk ook de hysterie onder ouders in groep acht van de basisschool weg, die allemaal willen dat hun kind een vwo-advies krijgt.”

Van Maanen zou graag een middenschool zien, waarbij alle niveaus samen drie jaar doorbrengen. Daarna zou een tweejarige uitstroom in de richting van universiteit, hbo of mbo volgen. „Dat geeft een veel rustiger en fundamenteler schoolloopbaan.”

Maar zo’n middenschool, dat ziet niet iedereen zitten. Te rigoureus, zeggen onderwijsorganisaties, het wijkt te veel af van het huidige onderwijssysteem. Nu bestaan brede brugklassen uit mavo/havo-klassen of havo/vwo-klassen. Een brugklas met kinderen van álle niveaus is vrijwel niet te vinden. Bovendien duurt de huidige brugperiode één of twee jaar, zeker geen drie. „Zonde, want dat zou echt het gewenste effect hebben”, zegt Van Maanen.

Een 6,8 gemiddeld

De steun voor brede brugklassen mag groeien, de onderwijsinspectie stelde vorig jaar vast dat hun aantal juist daalt. Bovendien komen er steeds meer categorale scholen, waar overstappen naar een ander onderwijsniveau niet mogelijk is. Ook zag de inspectie dat het ‘ouderwetse’ stapelen – van vmbo naar havo, van havo naar vwo – afneemt. De eisen om door te stromen naar een hoger niveau zijn strikt. Veel havo’s laten pas vmbo-t-leerlingen toe als die een extra vak hebben gedaan en met een 6,8 gemiddeld zijn geslaagd. Het zijn allemaal ontwikkelingen die hun kansen beperken; wie op een bepaald spoor zit, kom er nog maar moeilijk van af.

Dat moet absoluut veranderen, vindt Rinda den Besten, voorzitter van de PO-Raad, de vereniging van basisschoolbesturen. Den Besten is groot voorstander van meer brede brugklassen op brede scholengemeenschappen. Ze ziet bovendien graag dat basisscholen kinderen in groep acht vaker een dubbel advies geven: vmbo/havo of havo/vwo. „En dat stapelen, dat moet voor iedereen mogelijk zijn.”

Ook Paul Rosenmöller, voorzitter van de VO-raad, de vereniging van middelbareschoolbesturen, wil verandering. Hij adviseerde middelbare scholen onlangs het schooladvies na twee jaar opnieuw tegen het licht te houden. En ook Rosenmöller is voorstander van brede brugklassen. Maar, zegt hij, er moet keuzevrijheid blijven. „Leerlingen moeten ook naar een categoraal gymnasium kunnen.”

Dat is in de discussie over kansenongelijkheid een cruciaal punt. Want in brede brugklassen heb je slimme leerlingen nodig om andere kinderen naar een hoger niveau te krijgen. Maar hoe krijg je ‘academische ouders’ zo ver dat zij hun kind daarheen brengen, en níét naar een categoraal gymnasium? Lastig, zegt Liesbeth Verheggen, voorzitter van de onderwijsbond AOb en voorstander van latere selectie. Want veel ouders denken dat hun kind alleen optimaal presteert onder ‘gelijkgestemden’.

Verheggen zou graag zien dat er meer brede brugklassen komen, en van haar mogen alle niveaus bij elkaar. „Het is zó belangrijk dat leerlingen van verschillende achtergronden met elkaar opgroeien.” Neem bijvoorbeeld de burgerschapsles. Die kan alleen slagen, zegt Verheggen, als leerlingen met verschillende achtergronden dagelijks met elkaar in contact komen. „Het is: samen leren en samen leven.”

Maar dat is écht een gevoelig punt, weet Verheggen. „Het raakt de autonomie van scholen. Het heeft een politieke kleur. En het allerbelangrijkste: ouders verkiezen het individuele belang nu eenmaal boven het maatschappelijke belang.”

Lees ook in het Onderwijsblog: Burgerschap kan worden geoefend op school