Recensie

Hippe pixelarchitectuur is schatplichtig aan De Stijl

De erfenis van De Stijl

De invloed van De Stijl op architecten en ontwerpers was groot. Zelfs critici als Le Corbusier raakten geïnspireerd door het nieuwe denken over kleur en ritme.

Pixel- kantoor van de DNB-bank in Oslo, van MVRDV, 2012 Foto Istock

Le Corbusier zag niets in De Stijl. Volgens ‘dé architect van de twintigste eeuw’ kon een ontwerper in de ‘taal’ van De Stijl slechts stotteren. ‘Carré, carré rouge, carré bleu, carré jaune, carré noir, petit carré blanc, grand carré blanc, petit, moyen, etc.’, zo omschreef hij in 1923 de architectuur- en interieurontwerpen van onder anderen Cornelis van Eesteren en De Stijl-oprichter Theo van Doesburg, die hij had gezien in de Parijse galerie L’Effort Moderne. Later schreef hij in zijn tijdschrift L’Esprit Nouveau dat de architectuur van De Stijl te complex was en ‘tegen zijn gevoel voor zuiverheid en eenvoud inging’.

Nu waren de drie ontwerpen voor huizen van Van Doesburg en Van Eesteren inderdaad niet simpel. Vooral het Maison d’Artiste is een ingewikkelde opeenstapeling van rechthoekige volumes en vlakken die nog beter dan het Rietveld Schröderhuis in Utrecht uit 1925 laat zien waar het bij De Stijl-architectuur om gaat: een werveling van rechthoekige vormen die de suggestie wekken dat ze, net als de schilderijen van Mondriaan, naar alle kanten zouden kunnen worden uitgebreid.

Volgens verhalen bezocht Le Corbusier de tentoonstelling Les Architectes du Groupe ‘De Style’ in een blauwe overall om kenbaar te maken dat hij een echte bouwer was en de De Stijl-architecten slechts luchtfietsers. Maar ondanks zijn dédain voor De Stijl, bleek hij later toch niet helemaal ongevoelig voor de ontwerpen van Van Eesteren en Van Doesburg.

Evenwijdige lijnen

Na zijn bezoek aan de tentoonstelling, overigens de enige exclusief aan De Stijl gewijde expositie tijdens het bestaan van de beweging (1917-1932), begon Le Corbusier, in navolging van Van Eesteren en Van Doesburg, zijn ontwerpen in isometrisch perspectief weer te geven, dat wil zeggen: met evenwijdige lijnen. Ook zette het kleurgebruik van de Stijl-ontwerpers hem aan tot het nadenken over de toepassing van kleur in zijn gebouwen, schrijven Anton Anthonissen en Evert van Straaten in De Stijl, 100 jaar inspiratie, over de invloed van De Stijl in de kunst en architectuur. Ten slotte kwam Le Corbusier tot de slotsom dat een wand, anders dan in bijvoorbeeld Mondriaans atelier in Parijs, niet verschillende kleurvlakken moest krijgen, maar in één kleur moest worden geschilderd.

De maquette die Van Eesteren en Van Doesburg in 1923 van het Maison d’Artiste hebben gemaakt, is verloren gegaan. Maar de afgelopen decennia zijn er verschillende reconstructies van gemaakt. Al in 1982 stond op de grote De Stijl-tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum een nieuwe, veel grotere maquette. De laatste reconstructie is het model dat bouwkundestudenten in Delft vorig jaar bouwden op het terrein van de Technische Universiteit. Het dwergenhuis, dat slechts vijf keer zo klein is als Van Doesburg en Van Eesteren hadden bedoeld, zal de komende zomer in het kader van het De Stijl-jaar 1917 op Het Gerecht in Leiden wordt geplaatst (zie kader onderaan). Dan wordt ook bij het nieuwe paviljoen van het Van Eesterenmuseum, dat nu in aanbouw is in Amsterdam-Nieuw-West, een soortgelijk model geplaatst van Victor Veldhuijzen van Zanten, de architect die al achttien jaar bezig is om het Maison d’Artiste op ware grootte gebouwd te krijgen.

Reconstructie van Maison d’Artiste, ontwerp van Cornelis van Eesteren en Theo van Doesburg, 1923.

‘Een intrigerend en bouwtechnisch uitdagend ontwerp dat nooit is gerealiseerd, maar van grote invloed is geweest’, zo valt te lezen over het Maison d’Artiste op de site van het Van Eesterenmuseum. Hoe groot deze invloed was, laten Van Straaten en Antonissen aan de hand van concrete voorbeelden lezen en zien in De Stijl. 100 jaar inspiratie. Hun overzicht van gebouwen die verwant zijn met het ontwerp van Van Doesburg en Van Eesteren eindigt met de hedendaagse ‘pixelarchitectuur’, zoals het Timmerhuis van Rem Koolhaas’ OMA uit 2015. Zoals in het Maison d’Artiste de dozen zijn bevestigd aan een volume dat lijkt op een verticale balk, zo hangt in het Timmerhuis in Rotterdam tussen en om twee betonnen torens een ‘wolk van pixels’, zoals kleine bouwelementen in het digitale tijdperk heten.

Toch grijpen pixelarchitecten als het Nederlandse MVRDV en de Deense Bjarke Ingels Group niet zozeer terug op het Maison d’Artiste als wel op de ‘configuratieve’ architectuur van een halve eeuw geleden. Een van de eerste en nog altijd beste voorbeelden van ‘configuratieve’ bouwkunst is het door Mondriaan-bewonderaar Aldo van Eyck ontworpen Burgerweeshuis in Amsterdam in 1960. Met zijn naar alle kanten uitwaaierende aaneenschakeling van doosjes slaat het Burgerweeshuis een brug tussen het Maison d’Artiste en de pixelgebouwen als het door MVRDV ontworpen kantoor van de DNB-bank in Oslo uit 2012.

Nog nauwer verwant met zowel het Maison d’Artiste als de pixelarchitectuur is de Nagakin Capsule Toren van Kisho Kurokawa in Tokio uit 1970, ook wel bekend als ‘de stapel wasmachines’.

Maar verreweg de mooiste brug tussen de De Stijl- en de pixelarchitectuur is toch Habitat 67, de grillige stapeling van blokwoningen die de Israëlische architect Moshe Safdie voor de Wereldexpo van 1967 bouwde. Het is alsof Safdie voor dit gebouw het Maison d’Artiste als uitgangspunt heeft genomen en dit maison, geheel in de geest van de ruimtekunstenaars van De Stijl, naar alle kanten heeft uitgebreid. Tegelijkertijd is het ook een superpixelgebouw dat moeilijk te overtreffen zal zijn door de huidige pixelarchitecten.

Habitat 67, van Moshe Safdie in Montreal, 1967. Foto Istock