Recensie

Goed Turks eten in een stalen ‘tent’ aan de rivier

Toen we eenmaal zaten, kwam alles boven. Want in Zenne waren we vaker geweest, lang geleden, misschien wel twintig jaar of langer. Het restaurant aan de Willemskade was nog een tent in de betekenis die Van Dale geeft: „verplaatsbare woning of tijdelijk verblijf, bestaande uit over stokken of metalen buizen gespannen doek”.

Uitbater Recep Aluç gooide die tent open op zwoele zomeravonden. Hij kookte waanzinnig lekkere Turkse gerechten en als alles op was, noodde hij zijn gasten in een bootje dat langszij gereedlag voor een tochtje op de rivier. Er was altijd drank aan boord. Mooie herinneringen.

Het gekke was dat Recep ons na al die jaren herkende — althans mijn vrouw want zij heeft iets wat zich gemakkelijk laat herkennen — toen wij op een vrijdagavond in februari Zenne binnenstapten. Hij was iets grijzer en wat dikker geworden, maar dat zal hij van ons ook hebben gedacht — althans van mij.

Tegenwoordig is het restaurant gevestigd in een paviljoen van staal, steen en glas op dezelfde plek waar toen die tent stond: tegenover het Wereldmuseum, waar de Willemskade een hoek maakt met de Veerkade. In de zomer zit je op het terras te lunchen of te dineren met de rivier aan je voeten — dat kan in de stad op maar weinig plekken.

Vanaf ons tafeltje kunnen we het interieur goed overzien. Van het plafond afhangende slingers van doek verwijzen naar het vroegere onderkomen. De wanden zijn mediterraan-blauw betegeld, langs de vensters hebben de tegeltjes een oosters motief. Achter de bar staan flessen wijn in militair aandoende rijen, als op appèl. Overal staan bloemen en citroenen, aubergines en paprika’s liggen als rijkdommen opgetast.

Er is een tafel met jonge vrouwen en mannen van Turkse afkomst die veel lachen en elkaar laten proeven van het eten en de raki. Achter ons zitten twee oudere stellen die hier zo te zien vaker komen. Het tafeltje naast ons is van een jongen en een meisje. Zij doen er weerbarstig het zwijgen toe, ook na een bemiddelingspoging door Recep want hij heeft liever dat mensen het leuk hebben met elkaar dan dat ze in zijn zaak zitten te sikkeneuren.

Aan een kaart doet Zenne niet — je kiest voor drie gangen met als hoofdgerecht vis of vlees óf voor vier gangen met kleinere versies van beide hoofdgerechten. We nemen het driegangenmenu (à 30 euro), mijn vrouw met vis, ik met vlees, en we bestellen er een fles rood (20 euro) bij.

Eerst komen acht koude mezze op tafel. Mezze zijn de Turkse variant van tapas. We onderscheiden witte bonen, champignons, courgette, tomaat, bulgur, humus en tzatziki, maar dat Griekse woord gebruiken we natuurlijk niet als we Recep vragen naar wat we niet kunnen thuisbrengen. „Dat zeg ik niet”, zegt hij. „Het is niet de Turkse cultuur om naar de ingrediënten te vragen, dat druist in tegen de gastvrijheid.” Hoe dan ook: het is allemaal even lekker met de meegeleverde enorme bol warm brood met knoflook, peterselie en kaas.

Zowel het vis- als het vleesgerecht is mooi opgemaakt met bepaald geen kleine portie. Mijn stoofschotel van kalfsvlees voorziet in rijst, aardappel, sperziebonen en gefrituurde aubergine die als kroepoek het bord bekroont. De kabeljauw steekt aan stokjes met paprika en gaat vergezeld van spinazie en een kerriesaus.

Ik vind het vlees eerlijk gezegd aan de droge kant, ondanks de lekkere jus. Mijn vrouw heeft dezelfde ervaring met de vis. Het is overigens niet onsmakelijk, maar wel te veel, zodat we de helft laten staan. „Zo, die neem ik mee, hatsiekiedee”, zegt de onmiskenbaar Rotterdamse serveerster die onze borden afruimt.

Het toetje doen we ten slotte alle eer aan: dikke yoghurt, room, pistachekruimels, karamel en een stukje baklava. Gelukkig zijn we op de fiets.

is culinair recensent