‘De slavernij mag dan wel voorbij zijn, we zijn er nog niet klaar mee’

Yaa Gyasi

Het debuut van Yaa Gyasi over de gevolgen van slavernij op volgende generaties werd breed opgepikt. ‘De vraag wat het betekent om zwart te zijn in Amerika was het uitgangspunt.’

Yaa Gyasi: ‘Ik voel me nog steeds verbonden met mijn immigrant- zijn’ Foto Koos Breukel

Yaa Gyasi is blij. Ze had niet durven dromen dat haar debuut Weg naar huis zo goed ontvangen zou worden. Ze had zelfs nooit gedacht dat een zwart meisje romanschrijfster zou kunnen worden. „Pas toen ik Song of Solomon van Toni Morrison las, besefte ik dat ik ook een boek zou kunnen schrijven,” zegt Gyasi (1989) in het Amsterdamse Ambassade Hotel.

Dat boek is er nu dus gekomen, en hoe: er werd een flink voorschot betaald en de Amerikaanse auteur Ta-Nehisi Coates noemde haar debuut ‘inspirerend’. Volgens de Jamaicaans-Engelse schrijfster Zadie Smith is het boek voorbestemd een klassieker te worden. The New York Times riep het uit tot een van de tien beste romans van 2016.

De Ghanees-Amerikaanse Gyasi vertelt in haar ambitieuze roman een episch verhaal dat tweehonderdvijftig jaar beslaat, over zeven generaties en op twee continenten (Boeken, 30.09.2016). Veertien personages vertellen het verhaal van de slavernij, afwisselend in Afrika en de Verenigde Staten. Het begint bij de halfzusjes Esi en Effia in Ghana, waarvan er een wordt verkocht als slaaf en de ander wordt uitgehuwelijkt aan een rijke, Britse slavenhandelaar. Effia leeft in luxe en comfort, Esi wordt samen met duizenden anderen verscheept naar Amerika, waar haar kinderen en kleinkinderen, direct en indirect, door de verhalen van hun familie, opgroeien in slavernij.

Het boek volgt beide families tot het heden. Weg naar huis is daarmee niet alleen een roman over slavernij en liefde, maar ook over het Amerika van nu.

Was het boek een persoonlijke zoektocht voor u?

„In zeker zin wel, ja. Ik begon aan het boek toen ik nog erg jong was, en het voelt alsof ik ermee ben opgegroeid. Het boek is persoonlijk en intiem. Ik was pas negentien jaar toen ik een beurs kreeg om onderzoek te doen in Ghana. Daar kwam ik op het idee voor mijn roman. Het was het begin van mijn volwassenwording en het nadenken over de belangrijke vragen van het leven.”

Welke vragen waren dat?

„Wat betekent het om zwart te zijn in Amerika? Meer had ik niet. De rest kwam toen ik Ghana was en bij toeval het Cape Coast Castle bezocht – een toeristische trekpleister waar ik nooit naartoe zou zijn gegaan als een vriend me niet in Ghana had opgezocht. In het kasteel hoorde ik voor het eerst over Britse soldaten die daar vroeger woonden en leefden en de lokale vrouwen trouwden. De gids nam ons ook mee naar de kerkers onder het gebouw. Daar werden de slaven opgesloten voor ze werden verscheept. Ik wist meteen dat ik daar iets mee wilde doen.”

Hoe was het om in de kerkers te staan?

„Ik stond in de mannenkerker. Die was heel klein en pikdonker – met uitzondering van een klein gaatje in het plafond waar een straaltje licht doorheen kwam. De muren waren vies, modderig. En het stonk nog steeds, na al die tijd. Ik voelde woede en verdriet. Onvoorstelbaar hoe je iemand anders zoiets kunt aandoen.”

Hoe kwam u op het idee om zeven generaties in het boek op te nemen?

„Dat heeft drie jaar geduurd. Mijn oorspronkelijke idee was een ‘gewone’ roman, waarin ik zou schrijven over het heden met flashbacks naar het verleden. Maar toen ik bezig was, merkte ik dat ik wilde laten zien hoe langzaam de dingen veranderden. Die subtiliteit kon ik het beste laten zien door het verhaal chronologisch te vertellen aan de hand van zo veel mogelijk generaties.”

U laat in het boek zien hoe Afrikanen zelf meewerkten aan de slavernij. Waarom vond u dat belangrijk?

„Voordat ik naar Ghana was geweest, had ik er wel eens vaag over gehoord, maar er was een bezoek aan het Cape Coast Castle voor nodig om het hele verhaal te horen. Mensen daar praten er liever niet over. Ik vermoed dat het te maken heeft met schaamte. En de angst dat mensen je verantwoordelijk willen houden voor de totale slavenhandel, terwijl het maar een klein deel van het verhaal is.”

U beschrijft gruwelijke taferelen in het boek. Was dat niet moeilijk?

„Bij het schrijven had ik daar geen last van, omdat ik een zekere mate van afstand voelde. Het was allemaal verzonnen. De research vond ik wel zwaar. De wetenschap dat deze dingen echt gebeurd waren, met echte mensen, vond ik verschrikkelijk.”

Zoals?

„Ik ontdekte dat na de afschaffing van de slavernij mensen voor de meest onbenullige dingen konden worden opgepakt en verkocht aan bedrijven in bijvoorbeeld de kolenmijnen-industrie. De details lezen over het zware leven van de mannen en kinderen, soms maar dertien jaar oud, maakte me verdrietig.”

Verandert het lijden van zwarte mensen met elke generatie?

„Zwarte Amerikanen worden nog steeds gedood. Niet op dezelfde schaal als vroeger, maar toch. Het idee dat het nog niet steeds helemaal voorbij is, is deel van het lijden.”

Ta-Nehisi Coates schreef twee jaar geleden een pleidooi voor herstelbetalingen aan nazaten van slaven. Uw boek zou kunnen worden gebruikt als een ondersteuning daarvan. Wat zou u daarvan vinden?

„Coates laat in zijn prachtige essay zien hoe de slavernij nog steeds van invloed is op het beleid van de Amerikaanse overheid. Hij richt zich in zijn artikel op huisvesting, maar je zou een gelijksoortig stuk kunnen schrijven over het gevangeniswezen of het onderwijs. Al die terreinen laten zien dat we de achterstand niet hersteld hebben toen de slavernij voorbij was. Dus is de vraag: wat kunnen we er nu aan doen? Ik denk dat herstelbetalingen een goede manier kunnen zijn. Als mijn boek daaraan bijdraagt, ben ik daar blij mee.

„Het speelveld zal nooit gelijk zijn, daarvoor is er te veel gebeurd. Misschien als meteen na de afschaffing van de slavernij iedereen veertig acres en een ezel had gekregen zoals beloofd was, misschien dat het dan nu heel anders was geweest. Maar dat is niet zo. Het enige wat we kunnen doen, is proberen meer balans in het systeem aan te brengen. De slavernij mag dan wel voorbij zijn, maar we zijn er nog niet klaar mee.”

In uw boek vertelt een geschiedenisleraar hoe belangrijk het is om de mensen die niet gehoord worden een stem te geven. Is dat wat u wilde doen met dit boek?

„Ja, absoluut. Vooral tijdens de eerste hoofdstukken merkte ik hoe weinig bronnen er waren van slaven die uit de eerste hand vertellen hoe ze door de slavenhandel geraakt waren. Ik vond het belangrijk om het aanbod in die verhalen te vergroten, ook al is het fictie.”

U verhuisde van Ghana naar Amerika toen u twee jaar oud was. Daar groeide u op in Huntsville, Alabama. Hoe belangrijk voor uw identiteit is het feit dat u een immigrant bent?

„Ontzettend belangrijk. Toen ik een kind was, was dat waar ik me mee identificeerde. Het feit dat ik een buitenlander was in een land dat eigenlijk het enige land was dat ik ooit had gekend. Ik voelde me heel erg verbonden met mijn immigrant-zijn, en dat is eigenlijk nog steeds zo.”

Waar komt dat gevoel vandaan?

„Kinderen zeiden wel eens tegen me dat ik klonk als een wit meisje. Nu vind ik het iets goeds, het is deel van mijn culturele geschiedenis. Maar als kind maakte het me verdrietig, omdat ik het gevoel had dat ik iets verkeerd deed, maar ik wist niet hoe het dan wél moest. Ik zou nooit klinken als mijn ouders, want die hebben een sterk Ghanees accent. En we woonden in buurten die erg wit waren.

„Ondertussen gingen mijn ouders alleen maar om met Ghanees-Amerikanen. Ik leefde eigenlijk in twee werelden, die van thuis en buiten. Daardoor had ik het gevoel dat ik nergens paste. Ik was niet Ghanees genoeg en niet Amerikaans genoeg. Gelukkig had ik broertjes in wie ik mezelf herkende.”

Hoe was het om terug te zijn in Ghana?

„Ik was er wel eens met mijn ouders en broertjes geweest, dus het was niet de eerste keer. We logeerden toen ook bij tantes en ooms, ik ontmoette familieleden, nichtjes en neefjes die ik nog nooit had gezien. Het was fijn om eindelijk te weten hoe de rest van mijn familie eruit zag. Ze leken op mij, daardoor voelde ik me thuis.

„Dat begon eigenlijk al op het vliegveld toen de douanier mijn paspoort pakte en mijn naam op de goede manier uitsprak. Dat was een heerlijk gevoel, want het gebeurt normaal nooit dat iemand mijn naam in een keer goed zegt. Maar toen ik mijn bagage afhaalde en een taxi probeerde te nemen, was het duidelijk dat de Ghanezen me als een buitenlander zien.”

U heeft uw boek ‘Weg naar huis’ genoemd. Waar is thuis voor u?

„Ik ben net naar New York verhuisd en dat is heel nieuw voor mij. Ik heb nog nooit eerder aan de Oostkust gewoond, maar ik vind de buurt leuk en ik woon daar met mijn vriend, dus momenteel is dat mijn thuis. Maar ik denk dat ik me overal wel thuis kan voelen. Met de juiste mensen en spullen kun je dat gevoel creëren. Thuis is voor mij niet verbonden aan een specifieke plek. Mijn ouders zouden op deze vraag heel anders antwoorden, zij zouden Ghana zeggen. In mijn geval is het Amerika, maar ook dan is er niet een specifieke staat of stad die ik thuis zou noemen.”

Thuis is voor u overal en nergens.

„Dat klopt, maar ik zie dat niet als iets slechts. Het kan juist wel goed zijn om flexibel te zijn, dan kun je overal wonen. Maar het kan ook eenzaam zijn, dat je niet behoort tot een specifieke groep of regio.”