De liefdesklus van Rietveld

Kunstenaars van de generatie van David Bade waren wars van het minimalisme van De Stijl. Maar wonend in het Van Doesburghuis in Parijs groeit bij hem het respect: „Inmiddels voel ik toch een soort trots.”

Kom op Nelly, we gaan een biefstuk eten! David Bade: „In de biografie van Wies van Moorsel over Nelly van Doesburg las ik een prachtige anekdote. Theo van Doesburg bezocht het Bauhaus verschillende malen en een aanstelling als professor leek in het verschiet. Ware het niet dat Walter Gropius en anderen nogal schrokken van Van Doesburgs tirades en orerende aanwezigheid. Theo ergerde zich aan Bauhaus-docent Johannes Itten en zijn nogal ascetische verschijning. Bij een vegetarische maaltijd stond hij pontificaal op met de zwaar opgemaakte Nelly aan zijn zijde en reclameerde luid: ‘Kom op Nelly, we gaan een biefstuk eten’! Het pijl-en-boog-figuurtje ontwierp Theo voor een commerciële opdracht.” David Bade

et zijn zwierige verfstreken, zijn brutale lijnen en zijn expressieve beeldtaal is David Bade (Curaçao, 1970) de grootste tegenpool van De Stijl die je kunt bedenken. Niks rechte lijnen, primaire kleuren of geometrische vormen; op de tekeningen en schilderijen van Bade zijn het eerder wulpse vrouwen en rood aangelopen motorrijders die de dienst uitmaken. Zijn sculpturen zijn vaak schots en scheef en uitgevoerd in alle kleuren van de regenboog.

De Stijl, en het minimalisme dat daaruit voortkwam, was juist iets waar Bade en zijn generatiegenoten Erik van Lieshout en Charlotte Schleiffert zich tegen afzetten, toen ze begin jaren negentig aan De Ateliers studeerden en de kunstwereld als jonge honden bestormden met hun wilde expressionisme. Dus toen Bade door het Centraal Museum werd gevraagd een bijdrage te leveren aan de tentoonstelling van Gerrit Rietveld die op 4 maart opent, vond hij dat wel komisch. „Ik dacht: what the fuck, hoe komen ze erop?”

Het Utrechtse museum viert het Stijl-jaar met een ode aan het Rietveld-Schröderhuis, het architectonische meesterwerk dat Gerrit Rietveld in 1924 bouwde voor de weduwe Truus Schröder-Schräder. Bade had zich graag in het Schröderhuis voorbereid op de tentoonstelling. „Maar het staat op de Unesco-lijst en het is een museum, dus dat kon niet.”

Wel regelde het Centraal Museum dat hij terecht kon in het Van Doesburghuis in Parijs, de atelierwoning van Stijl-oprichter Theo van Doesburg. Daar heeft Bade zich de afgelopen weken verdiept in De Stijl. En ontdekte hij, tot zijn eigen verbazing, zowaar wat raakvlakken.

Lees meer over het Van Doesburghuis: Zo gaat het wegwerphuis van Van Doesburg eeuwig mee

Nog geen titel, 2017. Acryl op doek, 200 x 145 cm. David Bade: „Het werk ontstond uit mijn gedachte: wat is De Stijl toch seksloos en niet warm, terwijl ze er wel sociale en maatschappelijke visies op na hielden. Zo verlekkerd of voldaan bevredigd ligt deze dame voor het Rietveld Schröderhuis. Haar wimpers corresponderen met het typische knotwilg-achtig boompje dat voor het huis staat en fijn contrasteert met de strakheid.”. David Bade

Bade: „De Stijl-leden hadden een maatschappelijk doel voor ogen: ze wilden de wereld beter maken. Ze legden verbindingen tussen verschillende disciplines en tussen kunstenaars uit verschillende landen – Van Doesburg was wat dat betreft een goede netwerker. En ze deden dat met een gepassioneerde insteek: ze wilden echt verder gaan dan de gebaande paden.” In die passie en in het maatschappelijke herkent hij zich wel, zegt Bade. „Het gaat mij ook altijd om het leggen van verbindingen.” Het Instituto Buena Bista, de kunstopleiding voor jongeren en artist-in-residenceplek die hij in 2006 met Tirzo Martha oprichtte op zijn geboorte-eiland, is daar het bewijs van.

Zijn bijdrage aan de Rietveld-tentoonstelling zal ook een kunstwerk zijn dat om samenwerking draait. In de laatste zaal van de expositie bouwt Bade een werkplaats, waar hij samen met vmbo-leerlingen, kunstacademiestudenten, alumni van het Instituto Buena Bista en de museumbezoekers zal „klussen” aan een maquette van het Rietveld Schröderhuis. „We gaan die calvinistische architectuur flink oppimpen, tot het een lekker barok geheel wordt.” Na afloop van de tentoonstelling zal het beeld worden aangekocht door het museum.

Liefdesklus

ade ziet het Schröderhuis als een ‘liefdesklus’: het resultaat van een bijzondere samenwerking tussen „meesterklusser Rietveld en zijn liefje mevrouw Schröder”. Hoewel Rietveld getrouwd was en zes kinderen had, is Bade ervan overtuigd dat hun relatie meer dan alleen platonisch was. „Er moet iets opgebloeid zijn tussen de twee, toen ze samen aan dat huis ontwierpen en bouwden.”

Zien en Wederzien toepassen; Theo van Doesburg en Gerrit Rietveld. Mondriaan overziet. David Bade

Op de tentoonstelling in het Centraal Museum vraagt Bade aan de bezoekers wat hun ‘liefdesklussen’ zijn. Een keukenkastje ophangen voor je buurvrouw terwijl je twee linkerhanden hebt, bijvoorbeeld. Of op Oudjaarsavond naar Schiphol rijden om daar gestrande vrienden op te halen. Bade: „Toen ik vorige week op een vmbo-school de leerlingen vroeg naar hun liefdesklusjes, kwam steeds naar voren dat al die kids apps installeren op de telefoons van hun ouders. Of de tv programmeren voor opa en oma. Dat zijn ook een soort liefdesklusjes.” Bezoekers mogen reageren door te schrijven of tekenen. Bade zal zich vervolgens met zijn team door die reacties laten inspireren voor zijn kunstwerk. Zo groeit er langzaam een uit zijn voegen barstende versie van het Schröderhuis.

In het Van Doesburghuis in Parijs maakte Bade al een reeks tekeningen en schilderijen die ook in de werkplaats komt te hangen. Het kleurgebruik met veel rood-geel-blauw is wel degelijk een knipoog naar De Stijl. Maar Bade blijft Bade, en dus is er ook een flinke dosis seks te zien. „Dat is mijn commentaar op De Stijl: je ziet in hun werk nooit natuur of erotiek terug, terwijl ze wel van de natuur hielden en veel reisden.”

Intussen is Bades waardering voor de kunstenaars van De Stijl sterk gegroeid, in de afgelopen weken. „Zeker nu ik in Theo’s bijzondere huis woon, heb ik wel het gevoel dat ik dichter bij ze ben gekomen. Als ik in Centre Pompidou een schilderij van Van Doesburg zie hangen, voel ik toch een soort trots. Gaaf, dat Nederland zo’n internationale kunststroming heeft voortgebracht.”