Recensie

‘Alternatieve feiten’ over Bouterse’s aanwezigheid

Decembermoorden

De getuigenissen in het Bouterse-proces geven geen helder beeld van de executies, vindt Hira. De auteur blijkt het een en ander te ontgaan.

Screenshot van een video waarop Desi Bouterse op 8 december in Fort Zeelandia André Kamperveen een verklaring over een 'coupplan' laat voorlezen. De al zwaar toegetakelde Kamperveen werd hierna geëxecuteerd. De video werd tijdens het strafproces vertoond.

De Surinaamse president Desi Bouterse ontkent nog altijd dat hij in 1982 aanwezig was bij de Decembermoorden, waarbij vijftien tegenstanders van zijn regime in Fort Zeelandia werden geëxecuteerd. Nu het Decembermoorden-proces zijn einde nadert, komt Sandew Hira (pseudoniem van Dew Baboeram en broer van de in 1982 vermoorde advocaat John Baboeram) met het boek De getuigenis van president Desi Bouterse. Politiek geweld, confrontatie, dialoog en verzoening in Suriname waarin hij Bouterse’s bewering onderschrijft. Hij wil het strafproces stoppen en ‘gerechtigheid via waarheidsvinding’ bereiken om zo tot ‘verzoening’ te komen in Suriname, dat getraumatiseerd is door de moorden. Bouterse omarmde Hira’s zeer omstreden project en gaf het zo een grote politieke lading. De econoom Hira, die zich in het boek ex-trotskist en ‘dekoloniale activist’ noemt, doet verslag van zijn onderzoek.

Belangrijk onderdeel in het boek is een, ook op tv uitgezonden, interview met Bouterse. Deze bleef hierin bij zijn lezing dat de executies in Fort Zeelandia ’s avonds plaatsvonden, toen hij bij zijn buitenvrouw was. Hira bevestigt dat alibi.

Getuigenverklaringen

De getuigenverklaringen tijdens het proces geven volgens Hira ‘geen helder beeld’ van de executies. En dat terwijl waarnemers, niet alleen nabestaanden, die bij het proces aanwezig waren of de getuigenverklaringen lazen, concluderen dat het proces juist helderheid heeft verschaft: de executies vonden, in elk geval grotendeels, overdag plaats en Bouterse was er toen bij. Dat maakt het proces voor Bouterse ook zo bedreigend.

Heel belangrijk in Hira’s betoog is zijn poging de postume getuigenis van vakbondsleider Fred Derby onderuit te halen. De in 2001 overleden Derby geldt als een ‘kroongetuige’, omdat hij als enige Fort Zeelandia ongedeerd mocht verlaten. Hira baseert zich (aldus een voetnoot) op een verslag van de getuigenis van Derby op de website Waterkant dat in 2006 werd gepubliceerd en dat mede gebaseerd werd op een interview dat de Surinaamse journalist Carlos Durham met Derby had. In dat verslag van Waterkant staat echter een cruciale fout, zo bevestigt Durham desgevraagd. En dat heeft verstrekkende gevolgen voor Hira’s conclusies. Derby zou volgens het Waterkant-verslag hebben gezegd dat de eerste gevangenen in het fort ‘anderhalf uur na de vlaggenparade van zes uur ’s middags’ uit Derby’s cel werden gehaald om bij Bouterse en de twee topmilitairen Roy Horb en Paul Bhagwandas te worden gebracht. Niet veel later waren repeterende schoten te horen. De executies zouden dan dus inderdaad ’s avonds hebben plaatsgevonden toen Bouterse al weg was. Maar de vlaggenparade (het hijsen van de vlag) vindt in Suriname in de vroege ochtend plaats. En dat zei Derby.

Motto van Hira’s onderzoek was ‘waarheid maakt vrij’. Maar wat Hira presenteert zijn ‘alternatieve feiten’.

Hira had dat al in 2001 kunnen lezen in een uitgebreid artikel van journalist en Surinamekenner Gerard van Westerloo (1943-2012) in NRC. Het NRC-artikel bevat de weergave van op de band opgenomen verklaring van Derby, die pas na zijn dood werd vrijgegeven. De gedetailleerde getuigenis rechtvaardigt maar één conclusie: de executies vonden, grotendeels, overdag plaats, Bouterse was erbij. Derby spreekt van de ‘vlaghijsing’. Kort erna, rond half negen ’s ochtends, werden gevangenen uit Derby’s celruimte gehaald. ‘Drie of vier jongens komen binnen, jij, jij, jij, zeggen ze’, aldus Derby. Niet veel later waren repeterende schoten te horen. Toen Derby begin van de avond na een gesprek met Bouterse het fort mocht verlaten had hij volgens zijn getuigenis de lichamen van journalist Slagveer en media-eigenaar Kamperveen zien liggen.

Het is onbegrijpelijk dat Hira niet naar Van Westerloo verwijst. Derby’s getuigenis is tijdens het proces bevestigd door diverse militairen. De getuigenis van Bouterse’s secretaresse sluit daar naadloos bij aan. Zo had ze overdag iets opmerkelijks gehoord van Bouterse’s twee jonge kinderen, toen ze bij het pal naast het fort gelegen huis van Bouterse was. Vanaf het balkon heb je er goed zicht op. ‘Ze zeiden: militairen hebben op een man geschoten. Toen heb ik [Bouterses echtgenote] Ingrid gezegd met de kinderen weg te gaan.’ Hira laat het onvermeld.

Schokkende videobeelden

De aanklager liet bij het proces een video zien, met Bouterse die Kamperveen een verklaring over een coup laat afleggen. Ook hier gaat Hira in de fout: de video werd destijds niet op tv uitgezonden, maar alleen het geluid op de radio, omdat Kamperveen zichtbaar was toegetakeld.

Hira maakt het nog erger door ook Derby’s situatieschets van het fort, van belang voor zijn getuigenis, te betwisten. In het NRC-artikel vertelt Derby dat je vanuit de kleine ommuurde openluchtruimte in het fort – waar hij met anderen in de nacht van 7 of 8 december was opgesloten – op de eerste verdieping soms Bouterse’s rug kon zien. En als de celdeur openging kon je een draaitrap zien waarlangs gevangenen naar Bouterse cum suis werden gebracht. Wie Fort Zeelandia kent weet dat Derby gelijk heeft. Hira maakt ervan dat ‘het onmogelijk is om via de deuropening van de wenteltrap goed zicht te hebben op de kamer daarboven’. Maar dat zei Derby niet: hij keek gewoon schuin omhoog door het raam op de eerste verdieping.

Voor Bouterse’s versie dat de arrestanten een coup beraamden is nooit enig bewijs gevonden. Ook Hira lukt dat niet. Er was najaar 1982 een brede, massale beweging die democratie eiste.

Hira verwijt nabestaanden van de 8-Decemberslachtoffers een ‘dubbele moraal’. Want daders in de Binnenlandse Oorlog (1986-1992) tussen het leger van Bouterse en het Junglecommando van Ronnie Brunswijk – met veel meer slachtoffers – kregen amnestie. Waarom dan geen amnestie voor de daders van de Decembermoorden? Hira vergeet dat de amnestiewet van 1992 misdaden tegen de mensheid uitsluit en dat de Decembermoorden volgens juridische experts zo’n misdaad zijn.

Volgens Hira zijn de doden van de Decembermoorden slachtoffers van ‘politiek geweld’ en daarvoor moet dus een politieke oplossing komen. Wie voor het strafproces pleit, lijdt volgens Hira aan een ‘Eurocentrische benadering’.

Opmerkelijk is dat het woord ‘drugs’ bij Hira weinig voorkomt, met Brunswijk als schuldige, terwijl Bouterse en Brunswijk beiden (in Nederland) zijn veroordeeld voor cocaïnehandel. Bovendien speelden drugs een rol in hun onderlinge oorlog. Zo is het in dit verband een gotspe dat op de lijst van 235 slachtoffers van ‘politiek geweld’ in Hira’s boek onder meer politie-inspecteur Herman Gooding staat, een drugsspeurder die in 1990 vrijwel zeker door Surinaamse militairen is vermoord. Dus ook amnestie voor die moord?

Bevat het boek niets goeds? Jawel. Hira besteedt veel aandacht aan de vergeten slachtoffers van gruwelijkheden over en weer in de Binnenlandse Oorlog. Door archiefonderzoek in Nederland kon hij bevestigen dat Nederlands overheidsgeld voor het Zeister Zendingsgenootschap bij Brunswijk terechtkwam, die er wapens voor kocht. Zijn suggestie dat Nederland slachtoffers moet compenseren is minder gek dan het lijkt.

Motto van Hira’s onderzoek was ‘waarheid maakt vrij’. Maar wat Hira presenteert zijn ‘alternatieve feiten’.