Column

Als Nederlanders over schaatsen praten, berg je dan maar

Leukwoorden

Op woensdagen schrijft Japke-d. Bouma in NRC over kantoorclichés, op vrijdagen over interessante taalverschijnselen. Deze week: schaatstaal, schaatswoorden en de taal van het ijs.

Deze week werd er weer geschaatst op hoog niveau in Zuid-Korea en dus was er weer veel ‘schaatstaal’ te horen. En als Hollanders over schaatsen praten, berg je dan maar. Het is de taal van „de ijzers”, „het aansnijden van de bochten”, de „vlakke ronden met de lage dertigers”, dan krijg je de taal van het ijs.

Het is op dit soort dagen dat ik weleens fantaseer over wat er gebeurd zou zijn als we in Nederland geen lange, rechte vaarten, geen grachten of kanalen hadden gehad. Wat er gebeurd zou zijn als we geen waterland waren geweest met in elke achtertuin een lange, rechte sloot of een meer, maar louter een land waren geweest van land en zee. Wat als onze opa’s en oma’s ons niet hadden leren schaatsen op dat ijs in de buurt, achter een stoel, met Friese doorlopertjes en afgevroren tenen. Wat als er geen Nederlander was geweest die zélf de magie had gevoeld van het weken met zwikkende enkels rijden en het dan ineens kunnen: recht op je schaatsen staan en in cadans zwieren, in evenwicht, als een wonder; fluitend met je handen op je rug op zwart ijs, in vliegende vaart langs de rietkragen.

Wat als we het langeafstandenschaatsen nooit hadden leren kennen?

Dan waren we misschien een voetballand van betekenis geworden – ik noem maar een dwarsstraat hoor – of een tennisland met elke Wimbledon een Nederlander in de finale. Of misschien wonnen we dan wel elk jaar de Tour de France.

Je moet er toch niet aan denken.

Want dan waren we dus nooit de trotse schaatsnatie geworden die we nu zijn, met al die schitterende schaatstaal. Met van die uitdrukkingen als „Hij heeft het voordeel van de kruising”, bijvoorbeeld. Dat hoor je in het voetbal toch zelden. Net als „Hij is aan het verzuren”, of „Hij zit lekker diep.” Dat is iets waar alle sporters mee te maken krijgen, sterker nog, iedereen in het leven, maar je hoort er alleen over in het schaatsen.

Ook mooi: schaatsers die zich „helemaal leegrijden”, die „tegen zichzelf rijden” of „even het handje erbij” doen als ze alles eruit moeten persen. Een soort hand van God, maar dan anders.

Of: het „kijken hoe de benen vandaag zijn”. Daar kijk ik eigenlijk bij alle sporters naar, dat wil ik best toegeven. Maar bij het schaatsen komen ze er tenminste eerlijk voor uit.

En dan is er nog de ‘stayer’. Dat is een schaatser die, ik heb het even opgezocht in de Volkskrant van 1996, „als hij eenmaal begint te rijden, geen drempels tegenkomt”. Een droom die we allemaal nastreven.

Maar mijn lievelingsschaatsuitdrukking is toch wel „in gesprek gaan met het ijs”, een uitspraak gemunt door de legendarische schaatscoach Henk Gemser.

Ik heb nog nooit een spits gezien die in gesprek ging met het gras, of wielrenners die gesprekken met de weg voerden, laat staan dat ik ooit een tennisser zag die in gesprek ging met het gravel. Maar onze schaatsers, die gaan in gesprek met het ijs. Soms is het een kletspraatje, soms een functioneringsgesprek en soms een slechtnieuwsgesprek. Maar in gesprek gáán ze.

Dat moet het zijn. Dat is ons geheim. De Hollanders hebben als kind al leren praten met het ijs.

En als ze ermee in gesprek zijn, valt de hele wereld stil.

Heeft u interessante taal gezien? Mail de redactie of laat het weten via @Japked op Twitter.