Recensie

Muziek, koor en beelden maken van ‘Prins Igor’ een legendarische voorstelling

De grootste kracht van Prins Igor schuilt in de muziek, die vol edele terzijdes is, prachtig geïnstrumenteerd en schatrijk aan zeer Russische, exotisch meanderende aria’s.

Prins Igor (Ildar Abdrazakov) & Prins Galitski (Dmitri Ulyanov) en staand op verhoging Vladimir Igorevitsj (Pavel Cernoch)

Was er voor de Russische opera buiten Rusland ooit een betere tijd dan nu? Sinds 1991 hoor je de geweldige zangers van daar ook hier. Voor het vertellen van verhalen zijn de middelen – beeld, techniek – steeds rijker geworden. Musici spelen steeds beter. En doordat operahuizen internationaal de handen ineenslaan, ligt een afwerkingsniveau binnen bereik dat anders waarschijnlijk een utopie was gebleven.

Veel opera´s van het Russische repertoire waren in Nederland nauwelijks te zien. De Nationale Opera heeft daar recent verandering in gebracht met imposante producties van onuitvoerbaar geachte opera´s als Chovansjtsjina (2016), De legende van de onzichtbare stad Kitesj (2012) en (bekender) Boris Godoenov (2001/2008), Jevgeni Onjegin (2011) en Pique dame (2016).

Borodins Prins Igor was de verwachte volgende: de voorstelling van regisseur Dmitri Tsjerniakov die dinsdag in première ging is een coproductie met de Metropolitan Opera in New York en was daar in 2014 al succesvol.

Dat Prins Igor geen standaardrepertoire is (laatste DNO-productie: 1963) is begrijpelijk. Borodin, vooreerst chemicus, werkte verbrokkeld aan zijn enige opera en kreeg die niet af. De plot bleef tableaumatig, maar is in hoofdlijnen simpel: Igor trekt ten strijde tegen de Polovtsen, keert terug als verliezer maar houdt moed. Het gebrek aan intrige wordt versterkt door nummeraria’s zonder urgentie (drinklied, goklied) en soms wat slappe dialogen („Ik ben bang dat ik dood ga!”).

Flutplot

Maar maakt dat uit? Borodins muziek is bij vlagen zo prachtig dat zij je verzoent met, tsja, alles. En als er iemand bloed kan pompen in een flutplot is dat regisseur Tsjerniakov, in Amsterdam bekend van zijn prachtproductie van De legende van de onzichtbare stad Kitesj (2012).

Tsjerniakov is een eigenzinnig verhalenverteller die niet maalt om een coupure of ingreep meer of minder, als de onderliggende thematiek er maar scherper door uitkomt. In dit geval maakte de gebruikelijke, door Rimski-Korsakov en Glazunov voltooide versie plaats voor een nieuwe variant: méér Borodin, geen oneigen materiaal. De handeling werd verplaatst van de late middeleeuwen naar de Eerste Wereldoorlog.

In de brokkelige dramaturgie smeedde Tsjerniakov eenheid met Eisenstein-achtige filmclose-ups van doodsbange en (later) dode soldatengezichten tussen de bedrijven door: zij tonen het ware gezicht van oorlog en verduidelijken dat het trauma van Igor tijdloos menselijk is.

Dans-in-opera

Tsjerniakovs aanpak is intelligent en vaak spectaculair, met kanonnengebrul, stortend puin en oogverblindend mooie falanxen van soldaten in roestbruine jassen en sepiabelichting. Zijn grootste, overtuigende ingreep betreft de eerste akte in het papaverveld, net na de veldslag. Die is vormgegeven als een hallucinatoire, erotisch getinte trip, waarin de zwaargewonde Igor droomt van de liefde en zijn jeugd. De Polowetzer dansen, met dertig dansers die hier sensueel opduiken vanuit het rode bloemenveld (choreografie Itzik Galili), zijn een voorbeeld van geslaagde dans-in-opera zoals bij DNO maar zelden te zien was.

‘Prins Igor’ was een coproductie van verschillende operahuizen. Lees hoe zo’n productie tot stand komt: De peperdure papavers van ‘Prins Igor’

Maar de grootste kracht van Prins Igor schuilt in de muziek, die vol edele terzijdes is, prachtig geïnstrumenteerd (harparpeggio’s, exotische klarinettremoli, treurende alten) en schatrijk aan zeer Russische, exotisch meanderende aria’s die je bloed subiet verwarmen.

Slim, logisch en goed is het dat daartoe het Rotterdams Philharmonisch werd geëngageerd. Dankzij het era onder chef Gergjev en diens jaarlijkse festival is het het meest ‘Russische’ orkest van ons land, en het speelt hier onder Stanislas Kochanovsky detailrijk en warmbloedig. Dat je af en toe tóch Gergiev-kaliber verlangde, lag aan een nog wat groot aantal momenten van gebrekkige afstemming tussen koor en orkest en aan het feit dat Kochanovsky (zeker aanvankelijk) melodische lijnen en bassige diepte met iets meer testosteron mag invullen.

Voor het koor van DNO is Prins Igor met zijn enorme kooraandeel dankzij het geweldige werk van koorleidster Ching-Lien Wu een triomf: het zingt prachtig, homogeen en vol, de tableaus zijn imposant, de kippenvelmomenten legio.

Achter-de-schermenvideo van het koor van De Nationale Opera


Ook de cast biedt talrijke verrassingen. Oksana Dyka (Jaroslavna) zingt krachtig, maar met een scherpte in haar timbre waarvan je moet houden. De grootste troeven zijn de dragende mannenrollen: Ildar Abdrazakov is een droom-Igor: een prachtige, volle bas met in timbre én présence precies de ondertonen van kwetsbaarheid die zijn rol geloofwaardigheid en reliëf geven. Evenzeer sterk is de sonore bas Dmitri Ijanov (dubbelrol schurk Galitski/Khan) die de uitersten van goed en kwaad ideaal stem en gestalte geeft.

Er zijn momenten dat de personenregie wat statisch oogt en dirigent Kochanovsky mag deze maand nog winnen aan peper en precisie. Maar de muziek, het kooraandeel en de prachtige beelden maken dit wel tot een nu al legendarische voorstelling.