Recensie

Jansons danst met het noodlot

Mariss Jansons in 2012 Foto ANP/ Herbert Neubauer

Tegen het noodlot bestaat geen bescherming, schreef de Russische dichter Aleksandr Poesjkin. Woorden die op muziek werden gezet door componist Sergej Rachmaninov in zijn opera Aleko. Deze dichtregel zweefde als motto boven de drie werken waarover het Orkest van de Beierse Omroep en zijn chef-dirigent Mariss Jansons zich gisteravond bogen in het Amsterdamse Concertgebouw.

De Tsjech Vladimir Sommer baseerde zich voor zijn Antigone Ouverture op de Griekse tragedie van Sophokles over koning Creon die zijn hand overspeelt tegen de goden, met een bloedig spoor van zelfmoorden tot gevolg, onder meer die van zijn eigen zoon. Jansons liet het noodlot door de zaal stormen, vooral in de woedende strijkersklanken die een filmische, Hitchcock-achtige sfeer opriepen.

Het razende noodlot van Sommer komt in Gustav Mahlers Kindertotenlieder op kousenvoeten aangeslopen. De componist verklankte vijf van de vierhonderd gedichten die Friedrich Rückert schreef over de dood van zijn twee kinderen. Een mooi prisma van het verdriet, aangrijpend door de vele gezichtspunten. De vader probeert het noodlot zelfs te ontkennen in het lied ‘Oft denk’ ich, sie sind nur ausgegangen!’, waarin hij zich inbeeldt dat zijn kinderen zo thuis zullen komen van een wandeling.

Mezzosopraan Waltraud Meier had moeten afzeggen, wegens ziekte. Haar vervangster Janina Baechle viel ronduit tegen. Haar stem leek onder spanning te staan, waardoor ze slecht verstaanbaar was: de woorden bleven in haar keel steken. Dat werd pijnlijk benadrukt doordat het orkest juist een heldere en doorzichtige klank voortbracht. Tot de echte sterren van deze liederen groeiden zodoende de blazers uit, vooral de trage hoorn, aan wiens weemoed niemand kon ontsnappen.

Na de pauze was het de beurt aan Rachmaninovs drie Symfonische Dansen, de laatste werken die de componist zou schrijven voor zijn dood. Ze handelen over middag, schemering en nacht, met talrijke verwijzingen naar dood en noodlot. Maakte Rachmaninov hierin de balans van zijn leven op? De vraag dringt zich op, ook door citaten uit zijn geflopte Eerste Symfonie, die de componist op de rand van de geestelijke afgrond bracht.

Geen noot viel er onder tafel bij orkest en dirigent, zelfs het kleinste pizzicato bereikte de verste uithoeken. De Grote Zaal is een instrument, vaak mooi, soms verraderlijk, maar na zijn decennium als chef van het Koninklijk Concertgebouworkest weet Jansons precies hoe hij dat moet bespelen.

Onstuimig en vrij klonk het orkest in het eerste deel, met zijn vele contrasten: de balling Rachmaninov wisselt lieflijke herinneringen aan de natuur rond het landgoed Ivanovka af met passages waarin de ondergang dreigt. Niet zo gek in een werk dat ontstond aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. De tweede dans over de schemering versterkt het gevoel dat de wereld een avondland aan worden is.

Rachmaninov gebruikt daarvoor de wals, die al eerder door Maurice Ravel en Mahler tot symbool gemaakt werd voor een Europa, dat van buiten mooi oogde, maar van binnen rotte. Hier danste Jansons weergaloos met zijn orkest in een innige omhelzing.

In de derde dans ten slotte naderen de nacht en de dood, onder meer in een Dies Irae, de muzikale verwijzing naar het einde der tijden. Maar in het slotcrescendo trekt Rachmaninov een lange neus naar het noodlot: mij kun je krijgen, maar mijn muziek niet!