‘Het is mooi hier’

Voor een Amsterdamse krant zou het een aardige rubriek kunnen zijn: ‘Vuilnis in Amsterdam’. Een treffend fotootje van een met allerlei rotzooi omgeven afvalcontainer, begeleid door een korte tekst met een feitelijke opsomming van de afgedankte zaken en een vermelding van tijdstip en locatie.

Ook foto’s en beschrijvingen van weggegooide matrassen, liefst met grote donkere vochtplekken, zouden zeer welkom zijn. Ik heb al eerder over de Amsterdamse matrassenplaag geschreven, en sindsdien is het alleen maar erger geworden. Dat is niet de bedoeling van de columnist, hij hoopt diep in zijn hart – zij het tegen beter weten in – dat zijn stukje de loop der dingen zal beïnvloeden.

Maar misschien werken zullen signaleringen juist averechts. Zo besloot een van mijn overbuurmannen zijn versleten matras zo zichtbaar mogelijk tegen een amsterdammertje op de hoek van de straat te parkeren. Hij deed dat kort voor het weekend, zodat zijn buurtgenoten drie dagen lang van dit nieuwe, opzienbarende uitzicht konden genieten.

Het was meteen duidelijk waarom het matras zijn beste tijd had gehad: het vertoonde in het midden een diepe kuil waaruit de bezitter elke morgen met steeds meer moeite moest zijn opgeklauterd. Ik kreeg zelfs respect voor de koppigheid waarmee hij dat zo lang had volgehouden.

Omdat ik veel kranten lees moet ik ook veel kranten weggooien. Dit probeer ik te doen bij de papiercontainers in mijn omgeving. Het lukt niet altijd omdat die containers overvol kunnen zijn. Wat te doen?

Sommige mensen hebben daar geen enkel probleem mee, zij plaatsen hun afval tégen de container, misschien in de ijdele hoop dat het zelf een sprongetje naar de opening zal maken als niemand kijkt. Wie in paranormale genezing, graancirkels en vliegende schotels gelooft, houdt met alles rekening. Ik ben niet zo goedgelovig en zoek daarom liever mijn heil bij containers enkele straten verderop. Daar kreeg ik onlangs zo’n ervaring die je op slag helemaal verzoent met de vaak zo onduidelijke en tegenstrijdige bedoelingen van de Schepper.

Bij de container stond een man die een groen schort tot over zijn knieën droeg. Vermoedelijk werkte hij in een naburig restaurant. Hij stond gebogen over grote kartonnen dozen. Ik was benieuwd of ook hij de dozen op de stoep aan hun lot zou overlaten, terwijl hij in de schemer een goed heenkomen zocht.

Maar nee, toen ik dichterbij kwam zag ik dat hij de dozen zorgvuldig kleiner maakte door ze op te vouwen en vervolgens in de container te stoppen. Dat zou een ander probleem kunnen veroorzaken – de beruchte containercongestie – maar dat was van later zorg. Voorlopig viel het in hem te prijzen dat hij de dozen niet verweesd achterliet.

„Kan mijn papier er nog bij?”, vroeg ik.

„Natuurlijk, kom maar”, zei hij in gebroken Nederlands.

Ik vermoedde dat hij uit het Midden-Oosten kwam. Hij nam mijn papier aan en duwde het in de container.

„Goed dat u die dozen niet zomaar laat staan”, zei ik.

„Ja, dat is verschrikkelijk”, zei hij, „we moeten Holland mooi houden. De toeristen zeggen dan: het is mooi hier.”

Dat ‘we’ klonk goed.

We namen dan ook voldaan afscheid van elkaar.