Vermogens stijgen voor het eerst weer

Huishoudboekje

De crisis op de huizenmarkt sloeg een gat in het vermogen van Nederlanders. De vermogens stijgen weer.

Winkelend publiek bij de Bijenkorf op het Damrak in Amsterdam voor laatste kerstinkopen. Foto Koen van Weel/ANP

Voor het eerst sinds de crisis van 2008 stijgen de vermogens weer. En voor het eerst sinds de crisis neemt de vermogensongelijkheid een klein beetje af. De reden is typisch Nederlands: stijgende prijzen op de huizenmarkt.

Bij vermogen moet je in Nederland niet denken aan geld op de bank of een aandelenportefeuille. Voor het gros van de huishoudens bestaat het vermogen uit een eigen huis. Raakt de huizenmarkt in crisis zoals na 2008, dan betekent dat een enorme klap voor het vermogen. Als de huizenprijzen weer stijgen zoals de afgelopen jaren neemt dat vermogen direct toe.

In 2015 groeide het vermogen van een doorsnee Nederlands huishouden voor het eerst sinds 2008. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) analyseerde de integrale gegevens van de Belastingdienst. Dat kan pas nadat Nederlanders aangifte hebben gedaan. Dus heeft het CBS nu net de vermogens in kaart voor 2015.

Bijna drie op vijf huishoudens hadden in 2015 een koophuis. Die huizen vormden 56 procent van alle bezittingen van huishoudens. Spaartegoeden beslaan maar 15 procent van het vermogen. Als het CBS de waarde van huizen niet meetelt, stijgt het vermogen in 2015 niet.

Vooral huizenbezitters met een hoge hypotheek hadden last van de crisis. Veel huizen stonden na 2008 onder water; de hypotheek was hoger dan de waarde van het huis. Maar ook senioren met een afbetaald huis en weinig ander vermogen zagen hun vermogen sterk dalen. Alleen de tien procent rijkste huishoudens wisten zich aan grote dalingen te onttrekken omdat zij naast een huis ook aandelen, obligaties en grote spaartegoeden hebben, aldus CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen.

Omdat de 90 procent minst vermogende huishoudens leunen op de huizenwaarde nam in 2015 de vermogensongelijkheid voor het eerst sinds de crisis een beetje af, terwijl die van 2009 tot 2014 om dezelfde reden juist toenam. Het ligt in de verwachting van het CBS dat deze ontwikkelingen in 2016 hebben doorgezet. Vorig jaar noteerde de huizenmarkt de grootste prijsstijging sinds 2008.

De vermogensongelijkheid is met een Gini-coëfficiënt van 0,9 hoog in Nederland. Bij een Gini van 1 heeft 1 persoon al het vermogen in handen. Bij 0 heeft elke Nederlander evenveel vermogen. „Die hoge ongelijkheid heeft alles met het pensioenstelsel te maken,” zegt Van Mulligen. Pensioenaanspraken telt het CBS niet mee in het vermogen. In andere landen sparen mensen meer zelf voor hun pensioen. Dat zie je terug in het vermogen. „Omdat onze pensioenen gecollectiviseerd zijn lijkt de vermogensongelijkheid hoog.” De inkomensongelijkheid is volgens het CBS sinds 2001 onveranderd, „en laag”.

De hypotheekschuld is groot en stijgend: in 2015 in totaal 685,5 miljard euro. De helft van de huishoudens had een schuld. Die hypotheekschuld is in werkelijkheid lager omdat het CBS de opgebouwde spaar- en beleggingstegoeden in hypotheken niet kan meten.

Dit huishoudboekje met hoge hypotheekschulden, veel vermogen in huizen en collectieve pensioenspaarpotten is typisch Nederlands. Het maakt de economie kwetsbaar, zei De Nederlandsche Bank vorige week nog. De economie zou minder afhankelijk moeten worden van ontwikkelingen op de woningmarkt, zei directielid Job Swank. Het herstel op de woningmarkt droeg voor een half procent bij aan de economische groei, schatte Swank. „Dat is uitzonderlijk veel want relatief maakt de woningmarkt een klein deel uit van het bbp. Dat kun je niet eindeloos volhouden.”

Het Centraal Planbureau concludeerde eerder dat Nederlanders minder spaargeld hebben dan Duitsers en Belgen en daardoor in hun crisis meer snijden in hun consumptie. Dat maakt de Nederlandse economie volatiel en de recessies hier dieper.