Recensie

Schoonheid van een luciferdoosje

In ‘Paterson’ verandert een lelijke, afgebladderde stad in een plek waar de poëzie, aangelengd met wat karakteristieke droge Jarmusch-humor, op straat ligt. ●●●●

Paterson (Adam Driver) houdt van routine. Elke dag staat hij op ongeveer hetzelfde tijdstip op en kleedt hij zich in een wit T-shirt met spijkerbroek, net als de dag ervoor. In gedachten verzonken kuiert hij naar zijn werk als buschauffeur in de multiculturele stad Paterson in New Jersey. Voordat zijn dienst begint, schrijft hij zijn net bedachte dichtregels in een schrift.

Tijdens zijn rit, elke dag dezelfde route, observeert hij zijn passagiers. Niet om ze in de gaten te houden maar om te luisteren naar wat ze zeggen en vooral hoe ze het zeggen. Na het eten laat Paterson de hond uit, een Engelse buldog, waarbij hij altijd even de lokale bar ingaat om een biertje te drinken en een praatje te maken met de barman.

Door dit soort routine te omarmen creëert Paterson in zijn hoofd ruimte voor zijn favoriete bezigheid, het schrijven van poëzie. Hij doet het voor zichzelf, niet om te publiceren of om er bekend mee worden.

Regisseur Jim Jarmusch laat zeven dagen uit Patersons leven zien die zich ontvouwen volgens een vast patroon: een shot van boven tijdens het wakker worden van Paterson en zijn vriendin Laura, een bewegende camera in de buitenscènes en een camera die in de bus blijft als Paterson aan zijn rit bezig is.

Lees ook de analyse van Jarmusch’ personages: Wat maakt deze ‘loners’ fascinerend?

Zowel Paterson als Jarmusch vindt inspiratie in het alledaagse, net als de ‘New York School’ van dichters die beiden zo bewonderen, mensen als Frank O’Hara en Patersons grootste held William Carlos Williams. Door geconcentreerd naar iets te kijken, vind je schoonheid en kan iets opeens poëtisch worden, zoals het ontwerp van een doosje lucifers of de lichtval op oude industriële gebouwen die Paterson op weg naar zijn werk tegenkomt.

Opeens is Paterson geen lelijke, afgebladderde stad meer maar een plek waar de poëzie, aangelengd met wat karakteristieke droge Jarmusch-humor, op straat ligt.

Minder geslaagd is Jarmusch’ schets van Patersons rusteloze vriendin Laura. Zij is het tegenovergestelde van hem, zij omarmt verandering. De ene dag mag Paterson haar zelfontworpen gordijnen bewonderen, de andere dag haar zwart-witkleding. Al haar wilde plannen en excentrieke uitvindingen worden vooral gepresenteerd als lachwekkend, hoe charmant zij verder ook is. En wat moeten we maken van haar huiselijkheid? Het is Laura die elke avond kookt, om hem de gelegenheid te geven te dichten in zijn werkkamer.