Cultuur

Interview

Interview

‘Ik dacht dat Center Parcs het nieuwe leuk was’

Marcel van Roosmalen (48) en Eva Hoeke (38) schrijven columns. Hij voor NRC, zij voor de Volkskrant. Samen maakten ze het boek ‘Als het maar niet op ons lijkt’. ‘Het is godverdomme geen babyboek.’

De rollen zijn keurig verdeeld. Marcel van Roosmalen is 48, Eva Hoeke 38. Hij geboren in Arnhem, zij in Krommenie. Hij eet boterhammen met kalfskroketten, zij een broodje brandnetelkaas. Hij: weerspannig, recalcitrant en onderdrukt zo nu en dan een woedeaanval. Zij: opgeruimd, nuchter en strijkt zijn plooien glad. Samen hebben ze een dochter. Lucie Grace. Ze is nu anderhalf. Hij komt binnen met bril op en een elektrische sigaret aan. Zij arriveert iets later, frisgefietst en hoogzwanger. Lucie is op de crèche.

Hij heeft een column, zij heeft een column. Hij in NRC, zij in de Volkskrant. Ze schrijven over het leven, over elkaar (zij noemt hem De Man, hij haar De vriendin), en over het leven met elkaar en een kind. Samen schrijven ze een column in maandblad Linda, Het Huwelijk heet die, ook al zijn ze niet getrouwd. En nu is er een boek over hun eerste jaar als ouders, Als het maar niet op ons lijkt. Viel er nog wel wat te schrijven voor een boek? Nauwelijks. Grotendeels is het een bundeling van hun columns, aangevuld met nieuw materiaal, vooral van Eva. Aangezien hij drie columns per week heeft en zij één, had hij naar verhouding te veel woorden geschreven over hen.

Aandacht

Krankzinnig veel aandacht krijgen ze voor hun boek. Dat vinden ze zelf ook. Viva Mama, Ouders van nu, Kek Mama, allemaal zijn ze langs geweest in hun gemeubileerde huurwoning aan de Ring A10 in Amsterdam. Er zijn foto’s genomen, ze hebben gekibbeld, er is vaak en veel gevraagd hoe ze het straks met ‘nummer twee’ gaan doen. Marcel van Roosmalen: „Er is serieus met mij gesproken over snoetenpoetsers, luieruitslag en tepelkloven.” Hij kijkt verslagen en leest nu hardop een recensie voor, vanaf zijn telefoon. „…herkenbaar boek… leuk cadeau voor alle toekomstige papa’s en mama’s…”. Eva legt alvast haar hand op zijn arm. De uitbarsting volgt alsnog. „Het is godverdomme geen babyboek!”

Het is godverdomme geen babyboek!

Ons kind, zegt zij, is het haakje. Onze columns, zegt hij, gaan over óns. „Wij zijn het onderwerp. Ons leven. Het gaat meer over ons dan over haar.” Zij: „Onze dochter doet wat ze moet doen. Groeien, lachen, slapen, vertederen. Wij doen wat wij moeten doen en dat is schrijven.”

Er zat geen groots plan achter, of een bedoeling. Zij kan heel goed schrijven, zegt hij en wijst naar haar „Ongeacht het onderwerp, ik vind het een eer met haar in een boek te staan.” Prettige bijkomstigheid is natuurlijk dat ze nu zelf een soort schriftelijk fotoboek hebben van Lucies eerste jaar. „Welk kind heeft dat nou?” Nog een keer de telefoon erbij. „Zal ik wat foto’s laten zien, of ga ik dan te ver?”

Zij denkt ondertussen hardop verder. „Al die aandacht komt misschien ook omdat mensen zich afvragen wat wij überhaupt bij elkaar te zoeken hebben.”

Ze zagen elkaar ruim vijftien jaar geleden voor het eerst op de redactie van HP/De Tijd, waar hij al werkte en zij stagiaire was. Zij wist dat ze met hem ging trouwen, en zei dat ook meteen. Waarop hij de rolluiken sloot, in de wetenschap dat dit een mooi, maar gevaarlijk meisje was. Achteraf is het maar goed dat het nog jaren heeft geduurd voor ze echt een stel werden. „Ik was nogal instabiel en losgeslagen”, zegt zij. Haar vader was net overleden. Muzikant en componist Rob Hoeke.

Lees wat ze, jaren na zijn dood, over hem schreef. ‘Mijn vader was geen normale vader. Hij ging niet naar kantoor. Zijn haar was lang en om zijn hoofd zat een band. Hij sliep overdag en werkte ’s nachts. Als hij iets mooi vond, vloekte hij. Als hij boos was ook. Hij vloekte voor elk optreden, grauwend en godverend ging hij door het huis. ‘Laat hem maar’, zei mama.’

En lees daarna wat ze in haar columns schrijft over De Man die vloekend en tierend stukjes zit te tikken. Die ze door de babyfoon hoort zeggen over Dochters broekje: ‘Ah, een H&M’etje, gemaakt door leeftijdgenootjes.’ Waarop de dochter naar beneden komt met twee beentjes in één broekspijp, en ze „toch naar hem zit te lachen”.

Al voeren zij hun rollenspel nog zo keurig op – zij berispt hem als hij de restjes aangekoekte espresso uit zijn kopje schept, boert of zich verslikt, hij lacht haar stilletjes uit – daarachter zitten twee mensen die het gewoon goed met elkaar kunnen vinden.

Vuilniszakken

Wat wel de vraag oproept waaróm zij hem dwingt zijn bioritme om te gooien en hem verbiedt te vloeken, te drinken en te roken. Waarom ik hem, herhaalt ze, probeer te smoren? „Kapot te maken”, verbetert hij en begint over zijn spullen die hij bij de vuilnis moest zetten toen ze gingen samenwonen, waardoor al zijn bezittingen bij elkaar nu ruimschoots in één schoenendoos passen. Waarop zij antwoordt dat het maar beter is ook, omdat helemaal niemand iets heeft aan tig vuilniszakken vol oude jaargangen HP/De Tijd en hun huis bovendien veel te klein is voor al die rommel. Ook te klein voor nog een baby trouwens. „En schreeuwend duur.” Lucie slaapt in de voormalige werkkamer, Eva werkt aan de keukentafel, Marcel in het café. Ze zijn hard op zoek naar nieuwe woonruimte. „We dachten even aan Durgerdam…” Een dorp vlak boven Amsterdam. Waar, monkelt hij, iedereen wit, links en rijk is. Daar had hij best een paar columns aan willen wijden. Nu spelen ze met de gedachte om bij haar moeder te gaan wonen. In Wormerveer, zegt hij. Wormer, zegt zij. Zo’n plek waar niemand zich ooit bekommert om nieuws en politiek, waar gewóne mensen wonen. Zou ook best wat stukjes kunnen opleveren.

Op ons miniterras las ik twee boeken en wachtte ik tot het voorbij was.

Nou ja, hij wil maar zeggen, wonen in de stad is geen voorwaarde. Zegt de man die een week vakantie tussen ‘gewone mensen’ al niet te doen vond. Hoe hij die week in een Center Parcs-huisje in Noord-Frankrijk heeft ervaren, valt samen te vatten met één zin uit zijn column daarover. „Op ons miniterras las ik twee boeken en wachtte ik tot het voorbij was.” Hoe heeft hij kunnen denken dat dat een goed idee was? „Een huisje op Center Parcs leek me het nieuwe leuk. Een kind is de toegangskaart tot dat primaire geluk. Eindelijk zou ik de wereld ervaren waartoe ik als kinderloze geen toegang had. Mijn ouders deden dat soort dingen ook. Uit eten bij Van der Valk.”

Zij vertelt over hun reizen samen naar Iran en Libanon, en hun laatste trip naar Israël, voor het eerst zonder dochter. „We hebben zó genoten. Ineens wisten we weer: dit vinden wij leuk.”

Nu ligt alleen de kwestie van het smoren van Marcels natuurlijke neigingen nog op tafel. Zou hij ook wel eens duidelijkheid over willen. Haar tongval wordt nog ietsje Zaanser als ze zegt dat ze hem het allerliefst heeft zoals hij is. „Zittend in je eigen puinhoop, met om je heen je omgevallen boekenkast, fles wijn erbij en lekker roken. Heerlijk. Zou ik ook graag doen.” Maar? Vastbesloten: „Het kan niet. Niet meer. Niet als je over tien jaar ook nog vader wil zijn. En dat wil hij.”

Hij knikt. Zijn grootvader heeft zich dood gerookt, voor zijn moeder heeft hij, tot ze op haar 55ste stopte, ontelbaar veel pakjes Stuyvesant rood in de buurtwinkel gekocht, zijn vader is overleden aan slokdarmkanker, net als die van haar. Zij tegen hem: „Weet je nog wat er gisteren gebeurde?” Nee, zegt hij, wat gebeurde er gisteren? „Je kwam thuis, je deed de deur open, en wie kwam er met wijdopen armpjes op je afgerend?” O ja, herinnert hij zich. Trots: „Ze kan al lopen.” Praten ook? „Nee, dat nog niet. Dat is wel teleurstellend.”

Wist je trouwens, begint hij, dat Eva heel goed kan schrijven? „Veel beter dan ik. Het is een eer om met haar in één boek te staan.” Zij geeft hem een duw, lachend. Ik denk, zegt zij, dat je dat nu wel vaak genoeg hebt gezegd.

Als het maar niet op ons lijkt. Eva Hoeke & Marcel van Roosmalen. Meulenhoff. 17,50 euro