Column

Diemen

Een vriend was in Diemen beland. Na drie weken wilde hij evalueren met iemand die het gebied kende. Hij wist dat ik mijn boodschappen weleens in Diemen haalde. We dronken bier in een café bij Winkelcentrum Diemerplein. Ze hebben er drie dartbanen en twee gokkasten en het viel ons op dat het personeel er veel harder voor de klanten loopt dan in Amsterdam. Sterker: ze liepen elkaar bijna omver in hun ijver om de klant te behagen. Na elke slok bier stond er weer iemand.

„Wilt u nog een bier?”

Nee, we hadden nog.

‘Straks’ en ‘later’ waren hier volslagen onbekende begrippen.

„Willen de heren nog een biertje?”

Er zat er ook een tussen, ze bleek een geboren Diemense, die kwam informeren of het ‘al op was’ terwijl we achter twee net gevulde glazen zaten.

Ach zet ook maar neer ook, dachten we na verloop van tijd. Zet de tafel maar vol bier. Iedere streek z’n gewoontes, en dit was dan schijnbaar het ding in Diemen. Die darters hadden ook allemaal een eigen tafel vol bier.

„Wilt u pikante kippenvleugeltjes bij het bier?”

Nee.

„Wilt u stukjes frikadel bij het bier?”

Nee, gadverdamme.

„Wilt u een schaaltje gemengde pinda’s?”

Het zal wel weer met stoppen met roken te hebben, maar het werd me te veel.

„Nee”, zei ik met stemverheffing. „Wij willen gewoon een biertje drinken.”

Pats, nog twee bier bij de toch al aanzienlijke hoeveelheid.

Dit café was Diemen: je wilde er eigenlijk niet naar binnen, maar als je er eenmaal zat kwam je er nooit meer weg. Mijn vriend probeerde het positief te zien en zei dat Diemen toch ook de backbone van de samenleving was. Hij begon over flats vol politieagenten en handen aan het bed die in Amsterdam niets betaalbaars konden vinden om in te wonen.

Vanmorgen belde hij om er een nieuwe observatie aan toe te voegen.

„Iedereen in Diemen heeft een hond.”

Bij thuiskomst in zijn flat had hij bij wel zes buren honden horen blaffen en toen hij ’s ochtends naar zijn werk vertrok stond het grasveldje vol honden en baasjes.

„En niemand zegt wat, een beetje zoals ze ook onder die dartborden tussen hun bier zaten.”

Hij sloot af met de mededeling dat hij dat nog nergens anders had meegemaakt.

„Best bijzonder.”

Nadat hij ophing moest ik huilen; hij hopelijk ook.