De te zwakke Duitse mark

De euro is een „grof ondergewaardeerde munt. Een impliciete Duitse mark” waarvan de lage koers Duitsland een onterecht voordeel geeft tegenover de Verenigde Staten én de andere landen van de eurozone. Deze beschuldiging kreeg Berlijn vorige week van Peter Navarro, de voorzitter van de nieuw opgezette nationale handelsraad van de Amerikaanse president Trump.

De aantijging past in een patroon. De regering-Trump, sceptisch over de voordelen van internationale handel, lijkt erop gericht een wig te drijven in de Europese Unie. En dan is er weinig effectiever dan de Europese integratie neer te zetten als een project dat vooral de belangen van Duitsland dient. Dat resoneert uitstekend in de opvattingen van eurosceptici in grote delen van het continent.

De vraag is of Navarro’s beschuldiging hout snijdt. De euro staat laag, met een koers van rond de 1,08 per dollar. Dat was drie jaar geleden nog rond de 1,40. Zo gaat dat in een stelsel van zwevende wisselkoersen: kort voor en in de jaren na de Lehman-crisis was juist de dollar zwak, met een koers van soms boven de 1,50 euro. Daarmee weerspiegelt de verhouding tussen euro en dollar niet alleen, zoals topman Draghi van de Europese Centrale Bank gisteren zei, de verschillen in economische conjunctuur. De euro is ook laag door het expansieve monetaire beleid van de ECB, zoals daarvóór de dollar zwak was door soortgelijk beleid van de Amerikaanse centrale bank. Zo gaat het. En zo hoort het te gaan.

De kwestie speelt echter niet alleen tussen de VS en de eurozone. Navarro raakte een teer punt door Duitsland ook te beschuldigen van het „uitbuiten” van de eigen partners in de eurozone. Het was, zondag, de Duitse minister van Financiën Schäuble zelf die dat in zekere zin beaamde. De euro staat inderdaad te laag voor Duitsland, en Schäuble zou liever een hogere wisselkoers zien. Maar invloed op het monetaire beleid dat de lage koers mede veroorzaakt heeft Duitsland niet. Bondskanselier Merkel zei dat vorige week eveneens. Maar dat is iets te makkelijk.

De euro en het daarmee samenhangende beleid is, noodzakelijk, een gemiddelde. Dat betekent dat individuele landen zich moeten aanpassen. Duitsland, en ook Nederland, hebben lang benadrukt dat daarom met name de zuidelijke landen hun concurrentiepositie moeten verbeteren. Maar andersom ligt er nu eveneens een taak: het stimuleren van de binnenlandse vraag in landen met een te groot handelsoverschot. Daar hebben Berlijn, en in mindere mate ook Den Haag, nu de ruimte voor. Met handelsoverschotten die zo enorm zijn als het Duitse en het Nederlandse, is het anders wachten op nog meer kritiek. En die is niet altijd onterecht.