Beetje aanmodderen met ‘burgerschap’ mag niet meer

Burgerschap

De inspectie stelt dat scholen te weinig doen aan burgerschapsonderwijs. Dat moet anders, zegt het ministerie van Onderwijs.

Staatssecretaris Sander Dekker. Bas Czerwinski / ANP

Het gaat niet goed met burgerschapsonderwijs op scholen. Dat concludeert de Onderwijsinspectie in het kritische rapport Burgerschap op school. En daarom wil staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) de wet over burgerschapsonderwijs aanscherpen.

Het moet voor leerkrachten voortaan duidelijk zijn waar ze precies aandacht aan moeten besteden, schrijft Dekker in een brief aan de Tweede Kamer. En daarom zal het curriculum worden aangepast.

Lees ook in het Onderwijsblog: Burgerschap kan worden geoefend op school

Waar leerkrachten exact aandacht aan moeten gaan besteden, staat nog niet vast. Dekker schrijft: „Het uitgangspunt voor burgerschapsonderwijs ligt in de basiswaarden van de democratische rechtsstaat die ons verbinden, zoals gelijkwaardigheid, de vrijheid van geloof en meningsuiting en het recht op zelfbeschikking.”

De inspectie concludeert dat scholen wel aandacht besteden aan burgerschap en verschillende onderwerpen bespreken in de klas. Maar hoe en hoe goed dat gebeurt, dat verschilt enorm per docent en per onderwijsinstelling.

Voor het onderzoek vulden 200 scholen vragenlijsten in en gingen inspecteurs bij 67 scholen langs bij basis- en middelbare scholen en mbo-instellingen. De inspectie zag daar dat het burgerschapsonderwijs weinig doelgericht is. „Het ontbreekt aan een planmatige aanpak en scholen formuleren niet wat de leerlingen zouden moeten leren. De opbrengsten van het vak zijn dus nauwelijks in beeld”, zo staat in het rapport.

Vrijheden en plichten

Burgerschapsonderwijs is sinds tien jaar in de wet verankerd, maar de wet is te ruim en te vaag geformuleerd. De inspectie wil daarom dat de overheid scholen duidelijk maakt wat ze moeten doen. In de brief aan de Kamer schrijft Dekker samen met minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA) dat zij vinden dat leerlingen écht moeten leren hoe de Nederlandse democratische rechtsstaat is vormgegeven.

Belangrijke onderwerpen zijn gemeenschappelijke tradities, cultuur en taal. „Leerlingen moeten oefenen om op een democratische manier beslissingen te nemen en een moreel kompas ontwikkelen”, zo schrijven de twee aan de Kamer.

De staatssecretaris wil dat scholieren zich bewuster worden van alle vrijheden en plichten die in onze grondwet staan. „Als leerlingen dat niet meekrijgen, moeten we niet gek staan te kijken dat extreme ideeën zich nestelen”, zo liet hij dinsdag aan De Telegraaf weten.