Recensie

Herfstkleuren in het vioolspel van Mathieu van Bellen

In de recital van het Busch trio en Miguel da Silva stonden zoekende componisten centraal. Het spel was goed, maar zo ernstig dat het niet gedenkwaardig werd.

Het Busch trio, vlnr Ori Epstein, Omri Epstein en Mathieu van Bellen. Foto Blake Ezra

Drie componisten zoekend naar houvast vormden de rode draad in de recital van violist Mathieu van Bellen en het Busch Trio. Bach verwerkte de naam van zijn eerste vrouw, Maria Barbara, in de opening van zijn Chaconne voor viool solo. Na terugkeer van een verblijf buitenshuis van drie maanden hoorde hij dat zij in de tussentijd was gestorven en begraven. In de Chaconne onderging Bach alle stadia van rouw: ontkenning, woede, verzet, verdriet en berusting. Van Bellen vergrootte die tegenstellingen uit - zijn spel riep het beeld op van een man die peinzend in een haardvuur staart terwijl herfstwinden en opwaaiende bladeren rond het huis razen.

Met de Vioolsonate van Richard Strauss koos Van Bellen daarna opnieuw voor een componist op een kruispunt: een begin twintiger met wortels in de Romantiek, maar het hoofd in een nieuwe tijd. Ook in deze grillige sonate zocht Van Bellen met pianist Omri Epstein herfstkleuren, met in het middendeel een tedere vrijage tussen viool en vleugel.

Na de pauze trad het Busch Trio - Van Bellen en de broers Omri en Ori Epstein - op volle sterkte aan, met altviolist Miguel da Silva. Het Tweede Pianokwartet van Johannes Brahms - waarin de componist zinspeelt op de onvervulde liefde voor Clara Schumann - biedt alle gevoelens die je je wenst. De jongens leken in de greep van de ernst, hun ogen geklonken aan de partituur, zonder blikken van verstandhouding of blijken van spelplezier. Dat is net het verschil tussen goed en gedenkwaardig.