Column

Ga vooral de vogels tellen in je tuin

Dat Homerus de muzen vroeg om hem te vertellen over wat er gebeurd was daar in het verre Troje en op de zeeën en eilanden die de veellistige Odysseus aandeed, was niet speciaal om elegantie aan zijn taal te schenken. Het was omdat het hem, als mens, aan kennis ontbrak. „U bent godinnen, die overal bij aanwezig zijn en alles kunnen weten… Wij echter horen alleen geruchten en weten maar weinig…”

Dat geldt voor het verleden, dat we steeds opnieuw nauwkeurig moeten onderzoeken om te weten wat zich heeft afgespeeld en tot bevindingen te komen die de vorige waarheid ontkrachten. Het geldt nog meer voor de toekomst. Geen idee hebben we. Hoe zou dat ook kunnen, de toekomst ligt niet vast maar is een product van alles wat er in het heden gebeurt. Ze is daarmee noodzakelijk, maar vanwege de talloze factoren die haar van seconde tot seconde veranderen, toch nogal onvoorspelbaar.

Dat zouden we wel graag anders zien. Je ziet iedereen in columns, beschouwingen, commentaren en analyses zijn of haar uiterste best doen om te voorspellen wat er nu gaat gebeuren. In allerlei commentaren kunnen we lezen dat het heel verkeerd is om ons naar binnen te keren: in Amerika is iets veranderd dat onze levens, onze opvattingen over hoe de wereld in elkaar zit, onze toekomst wel eens heel grondig zou kunnen gaan veranderen.

Dus wie zit daar vogels te tellen in zijn tuin? Wie zit daar te emmeren over een scheur in de muur, gebrek aan contact met een vriendin, of we zin hebben in pastinaak of in zoete aardappel? Als je degene bent die een ramp kan voorkomen dien je natuurlijk niet te aarzelen. Ingrijpen!

Maar als er dingen gebeuren waar je niet zo veel aan kunt doen, wat dan. Als je alles steeds van tevoren had geweten, zou je je leven dan heel anders hebben geleefd? Ik weet het niet. Ik heb het vermoeden van niet. De Poolse dichter Zbigniew Herbert schreef eens een gedicht over vijf mannen die tegen de muur gezet werden en vraagt waarover ze spraken de nacht voor hun executie. Het antwoord is: „over voorspellende dromen/ een avontuur in een hoerenkast/ auto-onderdelen/ een zeereis/ als hij schoppen had/ moest hij niet beginnen/ wodka was beter dan wijn/ waarvan je hoofdpijn kreeg” enzovoort. Over niets bijzonders kortom. Misschien soms even wel, maar eigenlijk komt het erop neer dat het leven doorgaat tot de uiterste seconde.

Onlangs las ik ergens dat je niet elke dag moet leven alsof het je laatste is, zoals mensen zo vaak zeggen, maar alsof het je eerste is.

Alles ligt nog voor je. Alles is nieuw. Alles is mogelijk. Dit is de eerste dag van de rest van je leven, tadatataa!

Zou dat kunnen, nooit achterom kijken? Of zouden de muzen zich dan onaangeroepen komen melden, en je vertellen wat er allemaal is gebeurd, welke doden er zijn gevallen, welke verliezen geleden, welke rampen voorkomen en welke niet?

De eerste dag klinkt opwekkender dan die eeuwige laatste dag met zijn verhevigde gloed van naderend afscheid, en zijn gebrek aan mogelijkheden. Maar het is een even ondoenlijke opgave. Zo leef je nu eenmaal niet. Grote slogans zijn altijd een paar maten te groot. Hoe vaak je je ook voorneemt om aandachtiger en oplettender te zijn, meer uit het leven te halen, beter op je vrienden te letten, enzovoort.

We leven. Er zal van alles gebeuren. We moeten ons best doen. En vogels tellen in de tuin.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.