Fotosessie

Als er een fotosessie aan komt, wil ik mezelf eigenlijk het liefst door een vrachtwagen laten overrijden zodat ik een excuus heb om af te zeggen. Er bestaan mensen die last hebben van ingebeelde lelijkheid, maar ik vrees soms, als ik foto’s van mezelf terugzie, dat ik de laatste tijd lijd aan een milde vorm van het tegenovergestelde. Niet dat ik mezelf in het echt zo sexy vind, maar de foto’s vind ik steeds vaker teleurstellend weinig op mijn spiegelbeeld lijken.

„Dat is ouder worden”, zegt mijn moeder dan, die de leeftijd heeft bereikt dat ze versteent als er een lens op haar wordt gericht. Vroeger maakte het niet uit wat voor hoofd ze trok, het resultaat was altijd spectaculair. Tegenwoordig moet ik, als ik een foto van haar maak, meteen mijn mobiel inleveren. Ik krijg hem pas terug als er is bijgesneden en gefilterd.

Het vervelende is dat ik, vanwege de dingen die ik doe, toch regelmatig op de gevoelige plaat moet worden genageld. Voorafgaand aan zo’n gedwongen sessie slaap ik nauwelijks, wat de boel alleen nog maar verergert. Het ergste is dat de fotograaf in het geval van een schrijversportret niet gaat voor de meest flatterende kiek, maar voor de meest interessante. En dus lopen ze tegen je te praten terwijl ze erop los klikken, in de hoop dat je ergens dat karakteristieke hoofd trekt dat schrijvers volgens hen horen te hebben. In de praktijk levert dit doorgaans afbeeldingen op met een accordeonformatie aan onderkinnen.

Laatst was het weer raak: voor een nieuwe serie in een blad moest ik worden geportretteerd – ik was er al twee dagen labiel van. De fotograaf kwam binnen, stelde zijn fotowand op, pakte de camera en begon meteen met het executeren van mijn eigenwaarde. „Ik wil de mens achter de boeken zien!”, riep hij, terwijl hij een mitrailleurvuur aan klikken op me afschoot en me steeds verder in de hoek werkte. Elke druk op de knop klonk als een vallend guillotineblad. Ik voelde me met elk schot een stukje doodgaan. Op een gegeven moment begon de fotograaf dingen te roepen als: „Ja! Dat is het! Mooi! Niet veranderen!”

Dat was namelijk het punt waarop ik in huilen was uitgebarsten. Van de spanning, de stress, de wetenschap dat ik de foto’s sowieso verschrikkelijk zou vinden. „Prachtig, prachtig!” mompelde hij, terwijl ik verder in de hoek kroop en de mascara in rivieren over mijn kin droop. „Precies dat!”, schreeuwde hij, “Dat!! Houd dat vast!”

De fotograaf ging uiteindelijk naar huis met alleen maar foto’s van een doodsbange vrouw. Ervan overtuigd dat hij daarmee de mens achter de schrijver had gevangen.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.