Column

Dromers

Flessenpost Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd naar Princeton, in de VS. Ze bericht wekelijks over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

In het enige bioscoopje in Princeton zitten mijn kinderen en ik met emmers popcorn op schoot klaar voor La La Land. Vlak voor de film begint, verschijnt de regisseur, Damien Chazelle, op het witte doek.

„Lief publiek”, zegt hij. „Welkom. Ik ben vaak in dit theater geweest. Vooral tijdens mijn schooljaren, toen ik zo mijn moeilijke momenten had. Op zoek naar inspiratie, schoonheid, of gewoon troost. Ik hoop dat jullie van mijn film genieten.”

Mijn kinderen zitten op de punt van hun stoel. Het gebeurt niet iedere dag dat de populairste regisseur je als oud-schoolgenoot toespreekt. Chazelle is een romantische dromer. Toen hij op Princeton High School in de schoolband speelde, wilde hij niets liever dan jazzdrummer worden. Maar die droom moest hij opgeven omdat hij niet goed genoeg was. Hij werd schrijver en regisseur. Zijn doorbraakfilm Whiplash vertelt het verhaal van zijn geknakte muzikale ambities.

Ook La La Land gaat over dromers. Jonge mensen die beroemd willen worden met hun talent, die zingen en tapdansen, jazz spelen en ondertussen verliefd worden. De film is een ongekend succes. Het lieverdje van Hollywood en alle critici. Goed genoeg om het recordaantal van veertien Oscarnominaties te evenaren, van beste acteur, actrice en regisseur tot beste muziek en script. Is het toeval dat juist nu het land in een identiteitscrisis is en trilt bij iedere presidentiele tweet, het in de ban is van een ouderwetse showbizzfantasie gemaakt door een 32-jarige romanticus? Dat we ons nu laten troosten door droomfabriek Hollywood, die de oude successen van het witte doek doet herleven? Let’s make Tinseltown great again.

In 1936, toen de wereld aan de vooravond stond van ellende van een omvang waar niemand zich nog een voorstelling van kon maken, gingen mensen massaal naar Swing Time. Ginger Rogers en Fred Astaire tapdansten de sterren van de hemel in een ‘en-ze-leefden-nog-lang-en-gelukkig’-drama.

Eerlijk gezegd raakt de film me niet echt. Ik word niet meegesleurd naar droomdestinatie Lalaland, maar blijf hangen in de cynische realiteit. Tijdens de aftiteling lopen we over een bed van popcorn naar de uitgang, waar we knipperen tegen het buitenlicht. We zijn weer in Blablaland.

„En, wat vonden jullie van de film?”, vraag ik aan mijn kinderen die hun mutsen en sjaals omdoen.

„Geweldig”, zeggen ze in koor. „Alleen jammer dat ze elkaar niet kregen”, zegt mijn dochter. „Waarom nou toch niet? Hoe mooi was dat geweest…”

„Ze kon niet zo heel erg goed zingen,” mijmert ze verder, „maar dat was niet zo erg. Eigenlijk vond ik dat wel leuk.”

Thuis zet ze het liedje ‘The Fools Who Dream’ op en zingt zachtjes mee met de wat onzekere stem van Emma Stone. Ze doet een aantal danspasjes met haar vader in de gang.

Die avond kruipt mijn zoon voor het eerst sinds vele jaren achter de piano. Met behulp van een instructiefilmpje op zijn iPad begint hij ‘City of Stars’ te spelen. De hele avond gaat hij ermee door en de volgende dag begint hij opnieuw. Net zo lang tot het in zijn vingers zit. Hij heeft de muziek weer ontdekt. En nu zit het liedje ook in mijn hoofd.

Terwijl ik krampachtig probeer een paar uur niet het nieuws te volgen, luister ik naar mijn zingende dochter in de keuken: „Here’s to the ones who dream. Foolish, as they may seem”.