Column

Waarom de Syriër boos is op de Marokkaan

Ze hadden geen half jaar later moeten komen, de Syrische leraar en zijn vrouw. „Er komt al maanden bijna geen Syrische vluchteling dit land meer in”, zegt hij. „Niemand durft de grenzen meer over”, zegt zij. We zitten aan een rijk gedekte tafel in hun keukentje in het Leersumse azc. Rijst met kip en noten, auberginemousse, tabouleh. Ik heb de Syrische leraar en zijn vrouw nog nooit zo vrolijk gezien: ze hebben vlak voor het weekend hun verblijfsvergunning gekregen. In haar bedje kraait Maria, nu drie maanden oud.

Voor het eerst zijn ze ook zenuwachtig, biechten ze op. Tot nu toe kwamen Nederlanders in hun kamer om nieuws te brengen of diensten te leveren: kraamzorg. „Je kunt dat pamperen noemen”, zegt de leraar, „maar wij waren afhankelijk van die boodschappers.” Bezoekers waren behulpzaam, nieuwsgierig, sentimenteel: arme asielzoekers. Ze werden van de maatschappij weggehouden.

Nu ze legaal in Nederland verblijven, staan de Syriërs ineens op gelijke voet met de Nederlanders, die hun in toenemende mate hun eigen tegenvallers aanrekenen. Waarom krijgen asielzoekers voorrang bij de verdeling van huizen en meubilair, hoor ik in Almere en Rotterdam-Zuid. Statushouders zijn concurrenten geworden bij de verdeling van schaarse goederen. Dat merken de Syrische leraar en zijn vrouw al. Ze krijgen regelmatig wat ze noemen „the look” toegeworpen. „Vaak van oudere mensen”, zegt de leraar. „Ze lijken te zeggen: jij hoort hier niet.” Zijn vrouw vertelt hoe ze laatst afrekende in een tweedehands kledingwinkel. „Een klant griste mij het mandje uit handen, gooide de inhoud op de grond en liep ermee de winkel in.”

Ze waren per COA-bus naar een toneelstuk van Syrische vluchtelingen geweest over de oversteek over de Middellandse Zee. „Denken jullie je land een dienst te bewijzen door hier te zijn?”, vroeg een vrouw na afloop. „Ze bedoelde: hoepel op”, zegt de leraar.

„De rijst is kleverig”, zegt de vrouw verontschuldigend. „We zullen het hier zelf moeten rooien”, zegt de leraar. Vandaag horen ze wanneer hun officiële taalcursus begint. „Voor alle duidelijkheid”, zegt zij: „Ik ben ook leraar.”

„Iemand wil ons adopteren”, zegt hij. „Heel verleidelijk, maar leren we dan op eigen benen staan?”

Op de gang loopt een Marokkaanse asielzoeker. Hij spreekt Duits tegen de Syriërs, omdat hij zich als Syriër heeft aangemeld en zijn matige Arabisch hem kan verraden. „Hij noemt zichzelf seizoensarbeider, maar hij biedt ons gestolen dameskleding aan. ‘Ik kom hier alleen om te douchen’, zei hij vorige maand, maar hij is er nog altijd en er komen er steeds meer.” De leraar geeft de Marokkaan the look.

Jutta Chorus (@juttachorus) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.