Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

‘Ik faal als m’n broertje zich geen Nederlander voelt’

Interview Massih Hutak (25) schreef een brief aan alle jongeren van Nederland. Een reactie op de brief van Rutte, die ging over hem, zo voelde hij het, ‘en iedereen die dit land zo chill maakt’.

‘Ik zat precies daar waar jij nu zit toen ik ’m las, aan de rechterkant van de bank. Wat Rutte met die brief ‘aan alle Nederlanders’ deed, was hardcore en ongecensureerd. Seks is altijd een goede metafoor. Ik las ’m nog een paar keer en dacht: shit, hij heeft het echt over mij. Ik moest denken aan mijn leerlingen, mijn vriendengroep. Hij viel iedereen aan die dit land zo chill voor me maakt. Het maakt niet uit of hij het schrijft, of jij, mijn land zal ik altijd verdedigen tegenover dit soort mensen.

We kregen er een discussie over in de groepsapp. Mijn vrienden vroegen waarom ik zelf eigenlijk stemde. Ik stuurde hele betogen terug. Ik dacht: dit moet ik opschrijven. Toen ik schreef ik die brief…

Twitter avatar MassihHutak MASSIH Ik schreef een brief aan alle jongeren van Nederland, ga alsjeblieft stemmen op 15 maart. https://t.co/YLuv3z2hDV

Fok de politiek is geen originele gedachte. Doe gewoon iets originelers. Als het je niet zint, bestrijdt het van binnenuit. Dat is hoe mijn vader ons heeft opgevoed. Je moet gewoon elke dag uit je bed komen, aan de slag gaan, dingen voor elkaar krijgen.

Maar mijn generatiegenoten zijn passief. Ik hou van ze. It’s all good, weet je, maar ik kan daar niet zo goed tegen. Ik vroeg me af met hoeveel we eigenlijk waren. 18 tot 25 jaar, een kleine 2 miljoen, kwam ik achter. 18 tot 35 jaar, want dat zijn ook nog jonge mensen, met een kleine vier miljoen. We zijn met zovelen, iets meer dan een vijfde van het land. Als wij ons gaan oriënteren op de politiek en gaan stemmen, dan ga je daar toch wat van merken?

Amsterdam-Noord leerde mij Nederland kennen. Die dynamieken die je overal in Nederland hebt, zie je allemaal in Noord. De verschillende wijken die dorpjes op zich zijn, de gemeenschappen. Noord werd mijn startpagina. Als ik op nieuwe plekken kom of mensen ontmoet, heb ik altijd wel een vriend, kennis of buurmeisje gehad, die daar ook vandaan kwam of ook zoiets had meegemaakt.

Noord is de eerste en de enige plek in mijn leven waar ik me heb thuis gevoeld. Misschien omdat het de enige plek is waar ik langer dan tien jaar heb gewoond. Al meer dan vijf jaar zwerf ik door de stad, ik heb nog steeds geen eigen huis. Ik woon hier in Osdorp bij mijn beste vriend Kerem, we werken samen aan mijn album. Wacht, nu ga ik je mijn vrienden aanwijzen. Zie je die foto? Hij staat rechts, is de knapste van de twee.

Dit huis staat op de lijst om gesloopt te worden. Je wilt gewoon eens zeker weten dat je dit jaar eens een keer niet hoeft te verhuizen, één keer. Aan de andere kant: ik ben het gewend om weinig te hebben. Letterlijk uit een koffer te leven.

Mijn vader is superkritisch, het is nooit goed genoeg. Maar kritisch zijn op hem, of op het geloof, dat kon niet. Dat wil je wel, vooral als puber. Ik ging schrijven, liedjes maken. Mijn eerste boek schreef ik toen ik als nachtreceptionist werkte. Toen God nog in ons geloofde, een korte verhalenbundel.

Ik werkte in hotel Agora, aan het Koningsplein in Amsterdam. Het was een driesterrenhotel, maar kijk, als je het mij vraagt zou ik het nog niet één ster geven. Het stonk. Muizen, man. De telefoon van het hotel schakelde ik over naar mijn mobiel. Op de deur plakte ik een brief dat we vol zaten. Dan ging ik naar Bitterzoet, een club in de buurt. Feesten tot vijf, zes uur. Als ik terugkwam maakte ik in een uurtje het ontbijt.

Hoogopgeleide taxichauffeur

In mijn boek staat een kritisch verhaal over Afghanen, mijn eigen omgeving. De eerste zin is: ‘Ik haat Afghanen.’ Met humor geschreven en zo is het ook bedoeld, maar zo werd het niet opgevat binnen de Afghaanse gemeenschap. We staan niet echt bekend om onze humor, helaas. Iedereen heeft het letterlijk opgevat. Mijn vader heeft het zelf niet gelezen, maar was heel boos toen hij het hoorde van anderen.

Als ik bij Afghanen kom, kan ik me niet met ze identificeren. Ik ben vervreemd van de gemeenschap, omdat ik er niet in ben opgegroeid. Ik haat Afghanen niet, ik haat het dat ik me zo voel. Kijk, als Afghaans kind heb je vier opties voor de toekomst. Tandarts, advocaat, piloot, architect. Als ik naar mijn familie kijk, zijn ze precies dit. Mijn vader ingenieur, mijn oom is advocaat, de ander dokter. Toen ik les gaf, dacht ik: nu doe ik iets goeds. Dan belde mijn vader en vroeg hij: Massih, hoe gaat het? Ben je nu iets echts aan het doen?

Hij is bouwkundig ingenieur, maar in Nederland is hij taxichauffeur, omdat zijn diploma niet wordt erkend. Hij is hoogopgeleid. Gestudeerd in Moskou, werkte in Moskou, maar hier is hij gewoon taxichauffeur, dat is de tragiek.

Van Afghanistan herinner ik me niets. Ik was twee toen ik daar met mijn ouders en twee grote broers wegging, naar Pakistan. Vanaf Pakistan weet ik echt alles. Ook van mijn moeder. Ik bleef bij haar thuis als mijn broers naar school gingen. Ik weet nog hoe ze rijst met kip voor me maakte, en dat ik haar vroeg hoe je weet wanneer iets kip is. Van die vragen die je als kind hebt. Ze sneed het vlees en zei: zie je, het is wit van binnen.

De hele familie was best welgesteld, we zijn eigenlijk van adel. Ik heb een zwart-witfoto van mijn opa die voor een Rolls-Royce staat, in een driedelig pak, op een stuk land dat van hem geweest was. Hij moet een jaar of dertig geweest zijn op die foto. De familie heeft heel veel gedaan voor de stad Kabul, voor de provincie en het land. Als je de naam Hutak nu in Afghanistan laat vallen, merk je aan de reacties dat mensen ons kennen.

In Pakistan kwamen we ook niet echt wat te kort. We woonden in een flat die alleen van ons was. Er waren deuren naar elkaars huizen en een reuzensalon waar we elke avond een feestmaal aten. Het was echt all good. Maar je had niet echt wetten en rechten. Mijn vader wilde gewoon dat zijn zoons opgroeiden in een democratie.

Ze hadden het er weleens over om te vluchten, voor de toekomst van mijn broers en mij. De ziekte van mijn moeder speelde ook een rol. In Pakistan werd borstkanker bij haar geconstateerd. Mijn vader stopte al zijn spaargeld in de reis, maar ze wist dat ze niet meer te redden was. Het maakt niet uit, zei hij, ik wil je zo lang mogelijk bij me hebben. Ze is overleden toen we op het punt stonden weg te gaan. Ik was toen zes. We zijn alsnog gegaan, zonder haar. Maar dat is wel vet, want dat is dus de reden dat ik hier nu ben. Dus dat. Nu ben ik zo iemand die alleen maar ratelt.

Liefde voor hiphop

Ik wist al jong dat ik wilde rappen en schrijven, ik wist dat ik bezig moest zijn met taal. Ik deed een opleiding voor leraar Nederlands, in mijn eerste jaar kreeg ik een baan op een vmbo-school in Amsterdam-Noord, nog voor ik stage had gelopen.

Het onderwijs was veel leuker dan ik had verwacht. Bovendien had ik toen, ik was begin twintig, minder plezier in het maken van muziek, hoewel de band met de kids altijd zo sterk was door onze liefde voor hiphop. We luisterden dezelfde muziek. Ik heb veel van ze gestolen: quotes, ideeën. Zo kreeg ik langzaam weer inspiratie. Tegen de kinderen zei ik altijd: doe wat je leuk vindt en wordt daar de beste in. Zelf dat deed ik dat niet. Ik vond lesgeven leuk, maar niet het leukste. Na vier jaar dacht ik van: oké, geef dan het goede voorbeeld.

Mark Rutte geeft toch ook les? Ik stond altijd voor de klas en zei tegen mijn leerlingen dat zij de toekomst van Nederland waren. Dat is supertof, jullie zijn superslim. Nu worden zij allemaal gediskwalificieerd. En hun ouders, en de toekomstige nieuwkomers. Wat is dat dan, normaal doen? Een premier die zo’n brief schrijft heeft het over normaal doen. Het klopt niet.

Ik weet niet hoe jongeren stemmen. Ik weet wel dat zure oude mensen niet vergeten te stemmen. Als je zuur, boos of bang bent, handel je wel. Maar als je onverschillig bent… Stel, je krijgt het nieuws wel een beetje mee, maar je hebt een dak boven je hoofd en een moeder die je zorgverzekering betaalt, waarom zou je je druk maken? Dan doe je meestal niets.

Tot ik de brief van Rutte las, wist ik niet dat ik er zo mee bezig was. Toen schreef ik die reactie en dacht ik: oh shit. Ik heb toch een activistisch hart. Je wilt hier geen Trump-situatie krijgen. Ab-so-luut niet. Je wilt ook niet daarna denken: ik had wat kunnen doen en ik heb het niet gedaan. Had gekund…, had ik maar…, spijt. Fok dat man. Ik wil dag in dag uit doen wat ik kan.

Weet je wat het is. Wij gaan het nog wel een tijdje kut hebben. Daar heb ik me bij neergelegd. Ik vind het ook wel fijn als het leven soms een beetje kut is. Dat houdt me scherp en sterk. Maar als mijn broertje van 11 straks mijn leeftijd heeft en zich geen Nederlander voelt, heb ik echt gefaald. Dan denk ik echt: wat heeft onze generatie nou gedaan.”