Interview

Hij wil zijn ploegen laten swingen als een jazzorkest

Erik Braal basketbalcoach

Erik Braal, coach van het Groningse Donar, is de professor van het Nederlands basketbal. Hij ging in de leer bij Ton Boot en liet zich inspireren door een dirigent en een managementgoeroe.

Erik Braal, coach van de Groningse basketbalclub Donar. Foto Sake Elzinga

Het Noord-Brabantse dorp Werkendam, zo’n 35 jaar terug. Een ventje fietst naar de plaatselijke bibliotheek voor een boek van voetbalcoach Wiel Coerver. De jongen verdiept zich in zijn trainingswijze, de bekende Coerver-methode. En past het toe. Als hij met vrienden gaat voetballen beginnen ze niet direct met een partijtje, zoals gebruikelijk. Op zijn commando doen ze eerst oefeningen: kappen, draaien, kaatsen, passen. Een half uur lang.

De jongen heet Erik Braal en is dan tien jaar.

Hij wordt coach, basketbalcoach. Iemand over wie Ton Boot, Nederlands succesvolste basketbaltrainer met veertien landstitels, nu zegt: „Een perfecte coach.” Braal is zijn protegé, ze voerden lange, intense gesprekken. Als de Groningse basketbalclub Donar in 2015 Boot om advies vraagt over het aantrekken van Braal, zegt hij: „Meteen doen.”

Erik Braal (45) staat bekend als een van de innovatiefste coaches. Eigenzinnig, procesdenker, type professor. Hij is opgeleid als docent bedrijfseconomie, kent geen verleden als prof, is grotendeels autodidact, benadert het spel wetenschappelijk, laat zich inspireren door het boek Moneyball, ging tijdens zijn sabbatical op ontdekkingsreis en bezocht een dirigent om van hem te leren.

Hij is gerijpt, de prijswinnende jaren zijn aangebroken. Vorig seizoen werd hij met Donar landskampioen, zijn eerste grote prijs. De club uit basketbalminnend Groningen ligt ook dit seizoen op titelkoers, de ploeg is koploper – zondag werd concurrent Den Bosch verslagen (77-69). En donderdag plaatste Donar zich voor de halve finales van de beker.

Obsessief

Na een training gaat Braal zitten en praat twee uur onophoudelijk. Voor het grote publiek is hij misschien wat kleurloos, de datanerd met bril en laptop. Achter dat beeld schuilt een boeiende persoonlijkheid. Hij volgde in zijn sabbatical een cursus filosofie, verdiepte zich in de westerse traditie, las Aristoteles, Socrates, Plato. Hij zeilt, vreet kranten, is liefhebber van klassieke muziek en jazz.

Hij leeft obsessief voor het basketbal, analyseert beelden tot in detail. Hij heeft een latrelatie met zijn vrouw: hij woont aan het Friese Pikmeer, zij woont en werkt in de buurt van Rotterdam. Alleen in de weekenden komt ze over; deels om praktische redenen, ook zodat hij zich volledig op het coachen kan richten. De maniakale Ton Boot woonde in periodes ook gescheiden van zijn gezin.

Braal groeit op in het streng protestantse Werkendam, sportdorp van ruim 10.000 inwoners, bekend van voetbalclub Kozakken Boys en basketbalclub Virtus. Hij haalt het eerste bij Virtus, maar na een afgescheurde kruisband doet hij een stap terug.

Goede jeugd, maar ook botsende belangen. Met zijn moeder gaat hij zondags mee naar de Hervormde Kerk. Daardoor kan hij niet ingaan op de uitnodiging van de nationale jeugdteams. „Daar werd op zondag getraind. Dat mocht niet van mijn moeder. Dat was pijnlijk.”

Braal werkt zich als selfmade coach omhoog. Hij begint als jeugdopleider, twintig jaar terug in Rotterdam. Wordt daar coach van het eerste, bouwt de kleine club om tot een subtopploeg, doet hetzelfde in Bergen op Zoom en Leeuwarden. De wetmatigheid: overal waar Braal instapt, gaan ploegen beter presteren. Met de nuance dat hij bij bijna alle clubs over goede Amerikanen beschikt.

Hij compenseert het gebrek aan kennis en profervaring door te leren van anderen. In zijn vormende jaren bezoekt hij Boot, als een soort student op audiëntie bij de meester. Boot, nu 76 en gestopt: „Hij was een van de weinigen die dat deed.” Boot is dan, rond 2005, nog coach én Braals tegenstander in de competitie. Braal: „Ton zei letterlijk: ik heb zo veel kennis en jij weet nog helemaal niks, door jouw vragen word ik ook geprikkeld, zo komen we samen tot nieuwe kennis. ” Als coaches verschillen ze van elkaar: Boot is hiërarchischer, rücksichtsloser; Braal minzamer, zoekt de samenwerking met spelers.

Boot nam regelmatig een sabbatical, om te ontspannen en ontwikkelen. Braal deed het ook, zes jaar terug. Hij wilde bijleren, vindt zichzelf „wel heel erg een autodidact”. Hij bezoekt het EK en WK basketbal, krijgt inzicht in de machinekamer van grote clubs, kijkt in andere sporten zoals bij het nationale vrouwenhockeyteam en trekt door Indiana, dé basketbalstaat van Amerika.

En hij loopt drie dagen mee met een dirigent bij een orkest in Den Haag. Hij ziet overeenkomsten met het kneden van een basketbalploeg. „Ik zeg soms tegen mijn team: in het begin van het seizoen zijn we een symfonieorkest, je hebt bladmuziek, dat moet je gewoon spelen. Ik zeg hoe aanval één, twee en drie gaan. Langzaam moeten we evolueren tot een jazzorkest. Dan hoor je een thema, je hebt een ritme, een melodie, daarbinnen heb je één iemand die denkt: hé, ik voel het, ik ga voor een solo.”

Basketbal is meer jazz dan klassieke muziek, vindt Braal. „Het is creatief, er wordt gereageerd op elkaar, met veel ritme, tempo. Er bestaat een uitdrukking: basketball was the sports answer to jazz.”

Tijdens het jaar vrijaf gaat hij ook op pad met managementgoeroe Mario Bierkens, om te leren van diens presentatietechnieken. Braal is zijn chauffeur naar evenementen, helpt hem bij het opstellen van de beamer, bekijkt optredens, stelt vragen. Braal: „Een tjakkafiguur met inhoud.”

Bierkens houdt hem voor dat 5 procent bewust, gepland gedrag is, tegenover 95 procent onbewust, automatisch gedrag – een schatting van gedragswetenschapper Ben Tiggelaar. Hier is een wereld te winnen voor coaches, denkt Braal. „Het gaat om die 95 procent, die vele handelingen. Daar kun je het verschil maken.”

Braal: „Het adagium is: het is niet wat je zegt, maar wat je doet.” Het zit hem in kleine dingen. Zo is hij door de lessen van Bierkens nu een half uur voor de training aanwezig, waardoor spelers vanzelf gedwongen worden op tijd te komen.

Ander voorbeeld. Toen hij in de eerste week op het kantoor van Donar rondliep, was het daar een „ongelofelijke puinhoop, met dozen en spullen in de gang”. Hij sprak er de verantwoordelijke op aan. „Wij willen toch Nederlands kampioen worden? We hebben hoge doelen voor het team, en niet voor de organisatie zelf? Daar zit die 95 onbewust gedrag in.” De rommel is inmiddels opgeborgen. Braal: „Nu kom je binnen in het kantoor van de landskampioen.”

Hij was een van de eerste coaches in Nederland die serieus data analyseert en toepast in zijn tactische besprekingen. Inmiddels doet bijna iedere trainer het. Braal zag het licht bij de Italiaanse topclub Olimpia Milano, waar hij tijdens zijn sabbatical vier weken verbleef. Daar kreeg hij per speler en per situatie inzicht in de effectiviteit van een play, een bepaald spelsysteem voor een aanval.

Hij pakt zijn laptop erbij met de schotdiagrammen van vorig seizoen bij Donar. Uit zijn analyse blijkt dat de schoten uit het ‘middengebied’ – het vlak tussen de driepuntslijn en het gebied direct om de basket – te weinig scores opleveren: tussen de 34 en 38 procent is raak. Conclusie: „Die schoten vermijden we liever.”

Het is beleid op basis van statistieken. Als een speler toch een schotpoging waagt vanuit dat gebied, krijgt hij dat te horen. „Uiteraard.” Het is, wat simplistisch vertaald naar het voetbal, alsof een coach een spits opdraagt niet uit bepaalde gedeeltes in het strafschopgebied te schieten.

De trend om deze zogeheten verre tweepunters te mijden is overgewaaid uit de Noord-Amerikaanse competitie NBA, mede doordat het percentage rake driepunters explosief is gestegen. Grofweg is het nu: óf je gaat voor een tweepunter dicht bij de basket óf voor een driepunter.

Recentelijk bleek uit de data van Donar dat het percentage gemaakte schoten bij de hoeken van de driepuntslijn laag ligt, rond 25 procent. „Heel zwak.” Terwijl dat doorgaans de meest efficiënte ‘drietjes’ zijn. Braal confronteerde de spelers met de cijfers. „Nu zie ik dat ze woest aan het trainen zijn op dat hoekschot.”