Recensie

Een romandebuut op schouders van literaire grootheden

Aan de meeste debuten kun je wel aflezen dat de schrijver ervan op een of andere manier zijn autobiografie aan het overbruggen is, maar bij Luuk Imhann (1986) ligt dat anders. Bij hem geen treurige plattelandsjeugd of jonge, richtingloze stadsbewoners, maar meteen een poging om op de schouders van literaire reuzen te staan: zijn Paradijs is doordrenkt van William Goldings Lord of the Flies en van Joseph Conrads Heart of Darkness. Om te voorkomen dat jonge lezers hem van playbacken en zeer oude hem van epigonisme betichten strijdt Imhann met open vizier: hij vermeldt zijn meesters op de flap en hij heeft in de roman zulke opzichtige overeenkomsten met de twee eerdergenoemde klassiekers opgenomen dat het resultaat eerder als een nederig eerbetoon overkomt dan als plagiaat.

Hoofdpersoon Boas heeft trouwens óók wel iets van Alfred Issendorf uit Nooit meer slapen. Niet alleen is hij de stuntelige, laagst gekwalificeerde in een groep wetenschappers in de Aziatische jungle, hij gaat ook gebukt onder een vadercomplex. Regelmatig ‘meldt’ de man zich in Boas’ hoofd, hem alleen maar onzekerder makend dan hij al is in dat indrukwekkende gezelschap van knappe koppen, dat tussen de gewassen naarstig op zoek is naar een groep neusapen.

Als men daar eenmaal in geslaagd is, en een vrouwelijke wetenschapper kort daarna ook nog een heuse steeloogvlieg ontdekt, lijkt het wel of de groep in een soort betovering raakt. De apen en de insecten nemen het over in het hoofd van de academici, zou je kunnen zeggen, en de aanvoerder der neusapen, Wilson, is zelfs zo’n innemende verschijning dat de aanvoerder van de ménselijke delegatie, Konraad, sterk overweegt zich bij de dieren te voegen.

Imhann snijdt hiermee een thematiek aan die ouder is dan de weg naar Rome, namelijk dat mensen maar heel weinig motivatie nodig hebben om (weer) beesten te worden. De ‘Berg’ (consequent met een hoofdletter geschreven) waar men zich ophoudt heeft volgens een lokale mare een eigen wil en – zo vat men het langzamerhand op – pruimt die westerse bezoekers helemaal niet.

Het is sympathiek dat een debutant je eens een keer meeneemt naar het buitenland, maar het komt bij Imhann allemaal wat holderdebolder uit de pen. Aan spanningsopbouw of karakterontwikkeling doet hij niet echt, het is hem te doen om het inpeperen van die pompeuze beschavingswet. Maar die kenden we dus al. Ergens aan het einde van het boek gaat een hoofdstuk over een foetus die overlijdt in de buik van een stervende vrouw. Intiem en met opeens veel talig vernuft geschreven. Laat Imhann zich bij een vervolg door die aanpak laten leiden.