Column

Apenkooien

De Vriendin en ik kregen een kind en hadden de verhalen die we erover schreven gebundeld. Voor sommigen waren we opeens ‘een aandachtsgeil columnistenpaar’, want veel schijnwerpers. Vrijdag zaten we bij Jinek. De sympathieke Guusje van de uitgeverij ging ook mee. Ze ging eerst maar eens bier en IceTea voor ons halen in het café. Ik was totaal niet zenuwachtig, de Vriendin ook niet en de sympathieke Guusje dus ook niet. Ik verkeerde toen nog in de waan dat wij het pauzenummer zouden zijn.

Daarna zag ik Norbert Klein van de Vrijzinnige Partij, die ik een paar dagen eerder aan gort had geschreven. Hij zwaaide naar me alsof ik zijn vriend was.

Ik ook zwaaien, nog maar een bier.

Wij naar boven, de redactieruimte zat vol vertegenwoordigers van politieke splinters. Jezusleeft, Lokaal in de Kamer, Mens & Spirit en Norbert Klein van de Vrijzinnige Partij dus.

Ik zwaaide weer terug.

Wachten, schminken, staren naar de andere gasten. De cast van Ron Goossens Low-Budget Stuntman arriveerde, ze gingen hun mutsen ophouden. Jezusleeft keek me gelukzalig aan, gaf me een bijbeltje en ging hardop voor me bidden. De vrouw van Mens & Spirit wilde mijn aura wassen. De Vriendin vond de leren broek van de redactrice mooi, die was niet van leer en gewoon van de Zara.

Ik voelde me toch wat unheimisch ineens, terwijl iemand achter me mijn haren begon te kammen.

„Niet te netjes”, zei de Vriendin, „het moet reëel blijven”.

Gek hoe snel je accepteert dat je niet meer over je eigen haar gaat.

Ik was Jeroen Krabbé in een autootje vol gummetjes en potloden op weg naar Picasso; ik was Donald Trump in een tuinbroek. Daarom kamden ze nu mijn haar en was er hardop voor me gebeden.

„Ben je er nog, Pluis?” vroeg de Vriendin, de schat.

„Ja, dat is de vrijdag”, zei de redactrice in de broek van Zara. „Lekker apenkooien!”

Daar was Eva Jinek. Ja, de vrijdag was altijd gekkenhuis.

Dennie Christian, de schlagerzanger, kwam een handje geven. Hij ging een lied van Marco Borsato zingen. En je rookt, dacht ik snuffelend, maar dat denk ik sinds ik gestopt ben snel.

Daarna een zwart gat.

We keken het met ondertitels en Eva Jinek terug in het café. We hadden het ook over ‘het onderkantje’ van de Vriendin gehad, zag ik. We dwongen Guusje van de uitgeverij te zeggen dat het meeviel, Eva Jinek was ook in het echt een aardige vrouw en de telefoon in mijn broekzak bleef trillen. Mijn moeder, ze had er niets van verstaan.

Ik: „Ja, apenkooien, gekkenhuis.”

Een stukje beroemder gingen we huiswaarts, we wisten nog niet hoe blij we moesten zijn.

schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.