Column

Zwichten voor een goed verhaal

Waar zit het probleem bij nepnieuws? Bij onverlaten die broodje aap op het internet knallen? Of bij lezers en hun voorkeur voor een goed verhaal? Ik denk het laatste.

Amerikaanse wetenschappers hebben laten zien dat onze tolerantie voor nonsens groot is. Zo was er dat onderzoek waarin slimme studenten grammaticaal correcte larie kregen voorgeschoteld. Het ging om zinnen van het type „verborgen betekenis transformeert niet-parallelle, abstracte schoonheid”. Ze werden vervaardigd met een New-Age Bullshit Generator (voor wie zelf wil proberen: http://sebpearce.com/bullshit/). Een kwart van de studenten nam de zinnen behoorlijk serieus.

Symptomatisch voor de kritiekloze houding van studenten, zou je kunnen zeggen. Maar een sympathiekere interpretatie is dat studenten, ja mensen in het algemeen, het talent bezitten om met een minimum aan details een maximum aan verhaal te scheppen. Al geef je ze een betekenisloze ratjetoe aan woorden, ze zullen er iets diepzinnigs van maken.

In een ander onderzoek moesten proefpersonen betekenisvolle zinnen lezen. Maar er zaten evident onjuiste details in. Voorbeeld: „We gingen naar Rusland, omdat haar familie in de hoofdstad Sint Petersburg woont.” Proefpersonen hadden moeite om de fout te ontdekken. Als even later werd gevraagd naar de hoofdstad van Rusland, kwamen ze nogal eens met Sint Petersburg op de proppen. Grenzeloze dommigheid? Nee, ik denk het niet. De bevinding illustreert het primaat van het verhaal. Dat verhaal is belangrijker dan op zichzelf staande details: het geeft aan die details reliëf. Onze voorkeur voor verhalen verklaart waarom we beeldende kunst en literatuur op hun waarde kunnen schatten. Er is die kortste roman aller tijden, volgens sommigen van Ernest Hemingway: For sale; baby shoes; never worn. Zes woorden hebben we nodig om moeiteloos een associatieve dollemansrit in de richting van een droevig verhaal te maken.

Sommige historici zeggen dat ons vermogen om details groots te duiden, teruggaat op een primitieve denkstijl. Het zou een vorm van redeneren zijn die zijn oorsprong vindt in de jacht. Want een ervaren jager kan sporen lezen. Op grond van afdrukken in de grond en omgebogen takken kan hij zeggen dat uit deze beek drie uur geleden een jonge vos heeft gedronken. Zo’n duiding heeft een dwingend karakter. Niemand zal protesteren dat het ook een klein everzwijn kan zijn geweest. Niemand zal voorstellen om de retrospectieve voorspelling van de jager te toetsen. Hoe zou dat ook moeten?

Er zijn disciplines waarin het duiden van sporen wordt gecultiveerd. Zo kunnen de leerlingen van Sigmund Freud in een simpele verspreking de echo’s van een zwaar Oedipaal conflict zien. En door Sherlock Holmes geïnspireerde profilers zijn in staat om de karaktertrekken van een moordenaar af te lezen aan de slijtageplekken op zijn paraplu. Althans: de Sigmunds en Sherlocks zeggen dat ze deze kunst als de besten beheersen. Ze poneren hun verhalen dan ook met de grootst mogelijke stelligheid. In wetenschappelijk opzicht zijn die verhalen miserabel, want ontoetsbaar. Maar ze klinken coherent. Ze geven de dingen een plaats en dat is wat we fijn vinden.

Onze voorkeur voor maximale duiding van minimale details is een telkens terugkerend thema in het werk van psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman. Hij heeft er een naam voor: what you see is all there is (WYSIATI). WYSIATI duikt overal op. Met WYSIATI trekken we soep van for sale-baby shoes- never worn. Maar WYSIATI kan ons ook makkelijk op het verkeerde been zetten. Bijvoorbeeld als we lezen dat de gemeente Brighton tijdens volle maan meer agenten dienst laat draaien, omdat het aantal ongevallen, gewelddadige delicten en psychiatrische opnames dan zo hoog is.

Daaruit leiden we al snel af dat de maan een destabiliserende uitwerking op het menselijk brein heeft. We gaan dan voorbij aan wat we niet lezen, maar er toch toe doet: hoe groot is het aantal ongevallen, delicten en opnames als het geen volle maan is? Dat moet je wel weten voordat je concludeert dat het verhaal over de lunaire destabilisatie niet alleen lekker leest, maar nog waar is ook.

Zo’n alternatief onderzoeken kost tijd en moeite. Dat is de wet van bullshit-asymmetrie; het is makkelijker om een verhaal te verzinnen dan om het tegen te spreken. Nergens is die wet in actie beter te zien dan op facebook en twitter.

Er is die tweet van president Trump, waarin hij in minder dan 140 tekens een drama beschrijft: „Gezond, jong kind gaat naar dokter, wordt volgespoten met vaccins, voelt zich niet goed, verandert, autisme.” Ook dat zie je weer zo voor je. Het verhaal is zo goed dat je bijna vergeet te vragen hoeveel kinderen geen vaccin kregen, maar toch ziek werden. Hier ligt de kern van nepnieuws: zwichten voor een goed verhaal.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht