Waar is de linkse kiezer gebleven?

Peilingen

De links-rechts-indeling werkt niet meer. De VVD, D66 én Groenlinks communiceren positivisme.

Leden van de PvdA juichen na de bekendmaking van de eerste prognose van de Tweede Kamerverkiezingen in 2012. Foto Robin Utrecht/ANP

Het is een hoopvol zinnetje van PvdA’er Mei Li Vos. „Ik geloof niet dat Nederland zo rechts is als de peilingen nu zeggen”, schrijft ze in een van haar blogs. Vos staat voor de komende Tweede Kamerverkiezingen op plek 32 van de kandidatenlijst voor de PvdA. Zoals het er nu uitziet geen verkiesbare plek. Ze vond het een beetje laag, schrijft ze er eerlijk bij.

Het klopt. In de opiniepeilingen staat links er beroerd voor, al maanden. Volgens de laatste Peilingwijzer, dat is een combinatie van vijf peilingen, zouden de PvdA, GroenLinks en de SP samen zo’n 41 zetels halen. Met vier zetels marge naar boven én beneden, dus het kunnen er tussen de 37 en 45 zijn. In 2012 haalden ze er samen 57.

Waar is de linkse kiezer gebleven?

Mei Li Vos heeft „rotsvaste hoop” dat kiezers begrijpen dat de PvdA „de beste keuze tegen Geert Wilders” is. „In 2012 is het ons ook gelukt om terug te komen.” En, zegt ze, de meeste mensen weten het gewoon nog niet:

„Worden die linkse zwevende kiezers wel meegenomen in de peilingen? Of doen alleen mensen mee die al weten dat ze rechts gaan stemmen?”

Blijf vooral dromen, reageert onderzoeker Peter Kanne van I&O Research. Natuurlijk nemen de peilers ook de zwevende linkse kiezer mee. Al klopt het zeker, zegt hij, dat veel mensen nog twijfelen tussen een paar partijen. „Wij gebruiken hun eerste voorkeur voor de zetelpeiling. Daarin zien we toch echt die neiging naar rechts.”

Kiezers rechtser dan de PvdA

Nederland is altijd een beetje meer rechts dan links geweest, volgens de klassieke sociaal-economische uitleg van dat begrip. Linkse partijen haalden samen nooit een meerderheid, ze schommelen zo rond de zestig, vijfenzestig zetels. Zelfs in de jaren zeventig was dat zo, terwijl die als linkse jaren in het collectieve geheugen zitten.

In die tijd deed emeritus hoogleraar politicologie Jacques Thomassen onderzoek naar stemgedrag. Hij zag toen al, vertelt hij nu, „een enorme discrepantie” tussen de sociaal-culturele opvattingen van de PvdA en hun achterban. „Hun kiezers waren veel rechtser dan de partij. Over dingen als ontwikkelingshulp en law and order waren hun stemmers scherper.” Zolang die hun eigen sociaal-economische positie het belangrijkst vonden, stemden ze toch PvdA.

Zijn stelling is dat Nederlanders helemaal niet zomaar van mening veranderen, of op drift zijn, zoals vaak wordt gezegd. Alleen de buitenwereld en wat ze daarin belangrijk vinden verandert wel en dat heeft invloed op hun afwegingen op welke partij ze gaan stemmen. Andere politicologen bevestigen zijn veronderstelling.

En 2002 dan? Postuum haalde Pim Fortuyn bij die verkiezingen 26 zetels, dat werd toen als ‘ruk naar rechts’ uitgelegd. Maar politicologen zagen een jaar later dat vooral bij de aanbodkant iets was veranderd. Het electoraat vond zichzelf in 1994, 1998 en 2002 in alle jaren ongeveer even links of rechts. Zoals politicologen toen in NRC schreven: „Gevoelens van cynisme, kritiek op Paars, afkeer van immigranten, het was allemaal niet zo nieuw. Bijzonder was dat er dit keer in het stemlokaal uitdrukking aan kon worden gegeven.”

Jongeren zijn wel rechtser

Jarenlang zijn politicologen ervan uitgegaan dat Nederlanders in twee politieke families zijn op te delen, links en rechts. En dat die weinig veranderen in omvang. Wordt het anders op 15 maart? Een belangrijke aanwijzing daarvoor is het onderzoek onder jongeren dat Peter Kanne voor Vrij Nederland deed.

De ‘oude’ indeling van het electoraat is waarschijnlijk te simpel om het stemgedrag straks te verklaren

De leeftijdsgroep van achttien tot en met vijfentwintig jaar is naar rechts opgeschoven. En flink ook. In 2007 stemde 45 procent op één van de drie linkse partijen, eind 2016 was daar 16 procent van over. De PVV steeg van 7 procent aanhang in 2007 naar 27 procent in 2016. De steun voor de VVD bleef hetzelfde, rond de 10 procent. Wel moet gezegd dat een groter aandeel nog zweeft, dat was 21 procent in 2016, ten opzichte van 10 procent in 2007.

Vraag is ook of je de PVV helemaal als rechtse partij moet beschouwen. Op sociaal-cultureel vlak zijn ze dat zeker wel: grenzen dicht, anti-islam, anti-Europa. Maar op sociaal-economisch vlak stelt de PVV zich op als „erfgenaam van de PvdA”, zoals in één van de onderzoeken staat. De PVV is sociaal-economisch „nog linkser dan Emile Roemer van de SP en dan moet je echt je best doen”, herhaalt de VVD steeds. Dit zijn Mark Ruttes woorden.

In stemgedrag van de PVV is dit lastig terug te vinden. De retoriek is er wel naar. De PVV wil geld voor ouderen, in plaats van voor asielzoekers, de AOW-leeftijd moet terug naar 65 jaar en de huren moeten omlaag. Wilders is behoudend en beschermend voor mensen met minder geld en weinig opleiding: de natuurlijke achterban van de PvdA en ook van de SP.

Een heel nieuwe indeling

Die ‘oude’ indeling van het electoraat, dus sociaal-economische standpunten gecombineerd met sociaal-culturele opvattingen, is waarschijnlijk te simpel om het stemgedrag straks te verklaren. In werkelijkheid bepalen mensen hun stem aan de hand van veel meer dan die twee elementen. Hoe tevreden zijn kiezers over hun leefomgeving, over de EU, over dit kabinet, over de globalisering?

Het Sociaal Cultureel Planbureau deed het laatst helemaal anders en deelde kiezers in aan de hand van hun eigen geluk en hun optimisme over de samenleving. Hier kwam een heel andere verdeling van de partijen uit (zie ook de grafiek). Mensen die negatief zijn en relatief weinig geluk ervaren, zijn van plan op de PVV te stemmen.

Een kleine, maar vaste meerderheid, in december was het 53 procent, vindt dat het de verkeerde kant opgaat met Nederland. Dit kan verklaren waarom het de VVD matig lukt om PVV’ers ‘terug’ te halen naar de VVD. De campagneboodschap van de liberalen is optimistisch en positief: Nederland is een waanzinnig gaaf land. PVV-stemmers ervaren dat anders.

Waar zijn volgens deze indeling de linkse kiezers, in de ouderwetse zin van het woord? Dat blok blijkt uit elkaar te vallen: GroenLinksers en PvdA’ers zijn veel gelukkiger en optimistischer dan SP’ers. De aanhang van de SP zit hier veel dichter bij de PVV in de buurt.

Deze zelfde scheiding ontstaat als je ‘de linkse kiezers’ inschaalt op maatschappelijke tevredenheid of wat ze vinden van globalisering. GroenLinks en de PvdA staan dan bovenaan het lijstje en krijgen daar concurrentie van D66. GroenLinks en D66 doen het beide in de peilingen op zich prima: zij communiceren positivisme. De SP zit hier juist onderaan, met hele andere partijen: 50Plus en de PVV.

Kan het nog verkeren voor links? Mei Li Vos wijst op 2012, toen stond de PvdA er net zo slecht voor. „Het is Diederik Samsom toen óók gelukt.” En ja, als de Tweede Kamer straks een veel kleiner links blok heeft, dan is dat in strijd met jarenlang electoraal onderzoek. Maar zoals onderzoeker Peter Kanne zegt: „Er gebeuren de hele tijd dingen waarvan we dachten dat ze niet zouden gebeuren.”