Column

Niets is zo funest als ingrijpende veranderingen

Wenen-correspondent Caroline de Gruyter schrijft over politiek en Europa.

In tijden waarin alles schuift en niets meer zeker lijkt, is het soms weldadig om te luisteren naar mensen die óók sleutelmomenten in de geschiedenis hebben meegemaakt. Nu de nieuwe Amerikaanse president even revolutionair blijkt als sommigen hadden gevreesd, nu in Europa geestverwanten klaarstaan om ónze rechtsstaten even gezwind de genadeklap toe te brengen, is het moment aangebroken om weer eens een paar ‘Essais’ van de Franse filosoof Michel de Montaigne te lezen.

Montaigne leefde in de zestiende eeuw, een periode vol (religieuze) burgeroorlogen, omwentelingen en veldslagen. Politici en krijgsheren wisselden elkaar in hoog tempo af, de één met nog grandiozere plannen dan de ander. Niemand was het ooit met elkaar eens. Daar hield Montaigne zijn motto ‘Que sais-je?’ (‘Wat weet ik?’) aan over. Twijfel was voor hem een groot goed, omdat hij zag dat zoveel anderen onwrikbaar geloofden in hun eigen gelijk. Hij ontwikkelde een hartgrondige afkeer van groteveranderingen. „Niets is zo funest voor een staat als ingrijpende vernieuwingen,” schreef hij. „Elke verandering vormt weer de basis voor nieuw onrecht en tirannie.”

Nu Montaigne lezen, is net zoiets als Stefan Zweig lezen over de periodes vlak voor de Eerste en Tweede Wereldoorlog: het is alsof het over nu gaat. Wij denken altijd dat we uniek zijn, dat onze dilemma’s bijzondere dilemma´s zijn. Maar al lezend besef je: dit waren vergelijkbare momenten, tot op zekere hoogte. Voor de zoveelste keer in de geschiedenis zijn velen ontevreden over politiek en maatschappij. Voor de zoveelste keer moeten we een kernvraag beantwoorden: repareer je die delen van het systeem die niet goed meer functioneren, of breek je alles tot de grond toe af en zet je er een nieuw fundament onder? Montaigne geloofde dat de eerste optie bijna altijd beter is dan de tweede. Mensen die kleine mankementen willen verhelpen door alles omver te gooien, maken de situatie in zijn ogen vaak erger – alsof je een zieke geneest door hem dood te maken. De wereld laat zich niet genezen, vond hij: „Als wij het gevoel hebben dat we ergens door in het nauw worden gedreven, vinden we dat zo ondraaglijk dat we nog maar één ding willen: ons daarvan bevrijden zonder ons af te vragen welke prijs we ervoor betalen.”

Sommigen vinden Montaigne aartsconservatief. Maar de man had wat meegemaakt, toen hij dit soort dingen schreef. Hij had als jongen gezien hoe een politicus aan stukken werd gescheurd door een woedende menigte die diens vlees vervolgens in zout pekelde. Zijn vader werd afgezet als burgemeester van Bordeaux. Montaigne, een humanist, bemiddelde geregeld tussen strijdende partijen die totaal doordrenkt waren van hun eigen gelijk. Hij was nog geen veertig toen er tijdens de Bartholomeusnacht, in 1572, twintigduizend hugenoten werden vermoord. Al die dingen brachten hem tot het inzicht dat we al blij mogen zijn als we elkaar niet in de haren vliegen, en een systeem hebben dat misschien verre van perfect is maar allen garanties biedt en extremismen buiten de deur houdt.

Wij West-Europeanen zijn, anno 2017, weinig gewend. In plaats van dat als een groot goed te zien, maakt het ons naïever dan we lang geweest zijn. We kijken naar de democratie, constateren gebreken en trekken radicale conclusies: onvolmaakt, weg ermee! Voor we voor revolutionaire uitwegen kiezen, zoals de Amerikanen hebben gedaan (althans die 27 procent die op Donald Trump gestemd heeft), moeten we ons afvragen of de kosten wel opwegen tegen de baten. Dit is, zo leren we uit de geschiedenis, namelijk zelden het geval.