Niet bang voor de minachting van lezers

Margot Poll grasduint door de binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

De Poëzieweek is nog niet voorbij, of dichters moeten zich alweer verdedigen voor hun kunsten. Optreden in zaaltjes om lezers te verleiden. Want, zo stelt de Amerikaanse schrijver, dichter en docent Ben Lerner (1979) in zijn essay Waarom we poëzie haten, [1] de lezer weet eigenlijk niet wat poëzie is, hoe haar te lezen, laat staan haar te begrijpen. Meteen in het begin vertelt Lerner hoe hij zijn eigen poëziehaat vorm gaf door op school zo’n kort mogelijk gedicht te kiezen voor de poëzie-voordracht. Terwijl klasgenoten kiezen voor het achttiende sonnet van Shakespeare (Shall I compare thee to a summer’s day?) neemt Lerner zijn toevlucht tot het kortste gedicht uit de bibliotheek: ‘Poëzie’ van Marianne Moore. Slechts vierentwintig woorden moest hij onthouden, waarvan alleen de eerste vier I, too, dislike it hem altijd bij zijn gebleven. Deze zin, in vertaling Ook ik houd er niet van (van poëzie), vormt een leidraad in zijn essay over poëziehaters. Lerner neuriet het tijdens zijn colleges, het maalt door zijn hoofd als hij zelf gedichten schrijft. Het wachten is op een volgend essay waarin Lerner ons net zo gedreven vertelt wat dan wèl goede gedichten zijn.

Dat de Vlaamse dichter Peter Verhelst (1962) bang is voor de minachting van de lezers die Lerner schetst, lijkt mij niet. Verhelst ontving in januari niet alleen voor de derde keer de Herman de Coninckprijs 2017 voor de beste dichtbundel (Zing zing, Prometheus), ook de Publieksprijs voor het mooiste gedicht ging naar hem. Dat mooiste gedicht (Als je geen contact meer hebt met de dingen), staat ook in de bloemlezing Koor [2] die Verhelst heeft samengesteld uit eerdere bundels, aangevuld met nieuwe gedichten zoals de drie Lidice-gedichten. Geïnspireerd op het Tsjechische dorp Lidice, ten noordwesten van Praag, dat dit jaar 75 jaar geleden door de nazi’s werd uitgemoord en verwoest. De gedichten zijn verwarrend mooi omdat geschiedenis, misschien wel eigen waarneming en de verbeelding elkaar lijken aan te vullen. Verhelst eindigt met ‘De zon boven Lidice/ Dat er niet langer is/ Is daardoor eeuwig/ De zon boven Lidice/Dat niet langer bestaat/ En er daarom des te meer is’.

Een aanzet tot verder onderzoek naar Indische vrouwelijke auteurs, zo classificeert Vilan van de Loo haar biografie Melati van Java (1853-1927), dochter van Indië [3]. Van de Loo promoveerde in 2014 op de schrijfster Melati van Java (pseudoniem van Nicolina Maria Sloot), die volgens Van de Loo misschien wel de eerste vrouwelijke Nederlands-Indische bestsellerauteur was. Op haar achttiende verhuisde zij van Java naar Nederland en begon vanaf toen als Melati van Java te schrijven over Indië, over meisjes, over onderwijs. En of haar boeken nu ‘keukenmeidenromans’ of historische romans waren – de meningen waren verdeeld – zij werd gelezen. Van de Loo schetst het leven van een onafhankelijke vrouw die bestuurster was van de Vrouwenbond, samenwoonde met hartsvriendin Lina en ook ‘katholieke romans’ schreef onder weer een ander pseudoniem. Melati van Java ontbreekt in de meeste naslagwerken van de Indische letteren, maar dat zou met deze biografie enigszins bijgesteld kunnen worden.

In dezelfde tijd leefde in Frankrijk ook ‘de meest illustere vertegenwoordiger van de impressionisten’ (Le Figaro), Claude Monet (1840-1926). Historicus en schrijver Ross King schrijft met Waanzin & betovering [4] een aangrijpend portret van Monet in zijn laatste jaren, zijn vriendschappen, zijn eetclubjes, zijn wisselende stemmingen, zijn bijna-blindheid. Voor de bewonderaars van de waterlelies in musea en in Giverny – de lelievijver is er nog steeds –, is de troisième âge van de ploeterende persoon Monet minstens zo interessant.

Op maandag 6 februari geeft Ross King een Lunchtime Talk over Monet in het theater van The National Gallery in Londen (nrch.nl/5mnee).