Nederland in de kleuren van zetmeelkorrels

Collectie Rijksmuseum

Vorig jaar verscheen bij Bas Lubberhuizen een fotoboek dat hier veel eerder genoemd had moeten worden. Hans Rooseboom, conservator fotografie van het Rijksmuseum, en historica Ileen Montijn verzamelden de eerste Nederlandse kleurenfoto’s: autochromes volgens het procédé van Lumière. Nederland in kleur laat er ruim honderd zien.

Het zijn afdrukken van een groot soort dia’s-tussen-glasplaten die tussen 1907 en 1935 voornamelijk door amateurs werden gemaakt en die in doorzicht bekeken werden. De buitenstaander verslijt ze makkelijk voor zwartwit-opnames die zijn ingekleurd, maar het verschil is snel gevonden. Er zouden in Nederlandse collecties nog zo’n 1500 autochromes bewaard zijn. Het procédé raakte uit de gratie toen Agfa en Kodak rond 1935 de moderne diafilm op de markt brachten.

Het is een adembenemend boek. We zien Nederland en Nederlanders in natuurlijke kleuren, maar nog zonder auto’s, toeristen en vinexwijken, laat staan bierfietsen en rolkoffers. Nèt niet helemaal haarscherp, de kleuren inmiddels wat vager dan ze in werkelijkheid waren maar juist daardoor des te mooier.

Montijn beschrijft de tijd waarin de autochromes populair werden en verplaatst zich in de bedoelingen van de fotografen. Rooseboom geeft een technische toelichting en legt uit waarom vooral welgestelde amateurs met de autochromes aan de slag gingen. Beroepsfotografen keken erop neer. Op internet is veel over autochromes te vinden. In 2013 verscheen bovendien The Lumière Autochrome – History, Technology and Preservation (B. Lavédrine en J.-P. Gandolfo) dat de vinding tot in de kleinste details bespreekt.

Autochromes maken gebruik van ‘additieve’ kleurmenging, een proces dat meestal tegenover ‘subtractieve’ kleurmenging wordt geplaatst en dan prompt onbegrijpelijk wordt. Projecteer je in een donkere ruimte een bundel groen licht gedeeltelijk over een bundel rood licht dan zie je in de overlap de kleur geel ontstaan. Dat is additieve kleurmenging. Maar de kleuren die het computer- of televisiescherm laat zien ontstaan ook additief. De pixels waaruit de schermen zijn samengesteld zijn steeds opgebouwd uit drie subpixels die de primaire kleuren rood, groen en blauw (kunnen) uitstralen. Worden ze vanaf voldoende afstand bekeken dan vallen hun lichtbundeltjes in het oog over elkaar en ontstaan de bedoelde mengkleuren.

De drie subpixels van de oude autochromes bestaan uit aardappelzetmeelkorrels die groen, violet en oranje waren gekleurd. De Lumières gebruikten daarvoor synthetische kleurstoffen als tartrazine, erythrosine, kristalviolet, patent blauw en Bengaals roze. Die waren behoorlijk lichtecht en werden in waterige oplossing goed door de zetmeelkorrels opgenomen. Het licht dat door de verrassend doorschijnende korrels viel was niet helemaal ‘primair’ maar dat kon worden goedgemaakt door ze niet helemaal 1:1:1 te mengen. Een ander verschil met het computerscherm is dat de drie soorten zetmeelkorrels in ‘random’ schikking werden toegepast. Toch werkte dat.

De goed gemengde, gekleurde zetmeelkorrels werden verstoven over een glasplaat die vooraf van een glasheldere maar kleverige laag vernis was voorzien. Direct erna werd koolpoeder over de laag geborsteld om de niet-bedekte, dus lichtdoorlatende, gaatjes op te vullen. Dan kwam het geheim van smid: de korrellaag werd plat gewalst door ronde staafjes met het formaat van breinaalden. De lichtdoorlaatbaarheid van de korrels nam daarbij geweldig toe. De laag werd met (drogende) vernis afgesloten en daarna ging er een gewone lichtgevoelige emulsie overheen, dus gesmolten gelatine met zilverbromide en hulpstoffen.

Autochromes werden belicht met de kleurige zetmeelkorrels vóór de foto-emulsie. Zou nu uitsluitend zuiver rood licht op de plaat vallen dan zou de emulsie praktisch alleen achter de oranje korrels belicht worden. Na ontwikkeling en fixatie zouden dan de oranje korrels door het achterliggende zilverzwart worden afgedekt en zou de plaat in doorzicht blauwgroen zijn. Het ging dus anders: voor de ontwikkeling van een autochrome werd een omkeerprocédé gebruikt dat de zilverzwarting op de juiste plaats bracht. Daarvoor moest de plaat opnieuw belicht en opnieuw ontwikkeld worden. Fixeren hoefde dan niet meer. Na afloop werd emulsie afgesloten met vernis en een glazen dekplaat.

De zetmeel- en koolkorrels namen zoveel licht weg dat de autochromes vaak minstens 1 à 2 seconden belicht moesten worden. Dat is aan veel opnamen te zien: golven, waterrimpelingen en rookpluimen zijn ‘uitgemiddeld’. Alleen met heel lichtsterke lenzen waren ‘momentopnamen’ mogelijk, noteert W.H. Idzerda, privaatdocent aan de TH Delft, in een handzaam boekje uit 1927. Dezelfde Idzerda staat bij Roosenboom te kijk als iemand die het kleurenproces zo lang mogelijk uit handen van de amateur wilde houden omdat die er maar een knoeiboel van zou maken. Dat boekje van 1927, uitgegeven bij de ‘Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur’, blijkt juist voor de liefhebber bedoeld.

Bijna onbedwingbaar werd afgelopen week het verlangen om ook eens zelf zetmeelkorrels te kleuren. En dat kan! Aardappelzetmeel van Honig bestaat uit zuivere zetmeelkorrels en die blijken de Ecoline-waterverf van Talens goed op te nemen. Onder de microscoop viel op hoe gróót de meeste Honig-korrels zijn, veel groter dan voor de autochromes wordt opgegeven (10 à 15 micrometer). Het blijkt dat de Lumières uitsluitend de kleinste zetmeelkorrels gebruikten. Die zijn heel makkelijk te verzamelen want ze bezinken in water langzamer dan de grove korrels. Roer eens wat Honing zetmeel door water en zie het zinken aan. Ook mooi.