‘Ik deed dingen waar ik later droevig van werd’

Nicolai Jørgensen Hij is de ‘mvp’ van de eredivisie, de Deense Feyenoord-aanvaller Nicolai Jørgensen. Op het oog een stoïcijnse kracht, daarachter schuilt een vurig karakter. In zijn jonge jaren was hij heel anders. „Veel coaches gaven mij waarschuwingen: als je je nog één keer misdraagt kun je hier niet meer spelen.”

Nicolai Jørgensen: „Als je te veel aan voetbal denkt, ook in je vrije tijd, word je gek.” foto Bastiaan Heus

De fotograaf staat klaar voor de fotoshoot buiten bij de Kuip, zittend op een stoel speelt Nicolai Jørgensen wat met een bal. Een jas heeft hij, als Deen, niet nodig in de winter. Stemgeluiden klinken verderop, teamgenoten Tonny Vilhena en Terence Kongolo roepen: mvp! Ofwel: most valuable player, meest waardevolle speler. Zijn bijnaam in de kleedkamer. Jørgensen, even later in de boardroom van het stadion: „Funny guys.”

Een voetbalteam is net een machine, alle schakels moeten op elkaar afgestemd zijn wil het draaien. Als een onderdeel mist, hapert het. Zie daar het verschil met het Feyenoord van vorig seizoen, toen de ploeg na de winterstop vastliep. Jørgensen is het belangrijkste verbindingsstuk dat is ingepast. Aanspeelpunt, aanvalsleider, afmaker. Met veertien goals en acht assists is hij van alle eredivisiespelers het vaakst betrokken bij goals.

Feyenoord heeft de spits gevonden waar het op kan bouwen, na twee seizoenen vol herrie en debat over Colin Kazim-Richards en Michiel Kramer. Jørgensen (26) was de enige grote aankoop die in juli met helikopter neerdaalde in de Kuip. Voor velen een onbekende. Een aanvaller met hoogtevrees, hij beleefde „zenuwslopende” momenten boven Rotterdam-Zuid.

Hij is de regisseur van de aanval; hij combineert, houdt ballen vast, is dreigend. „Iedereen heeft het over het belang van Karim El Ahmadi. Maar als Jørgensen wegvalt heeft Feyenoord echt een probleem”, zegt de Deen Jon Dahl Tomasson, kampioen met Feyenoord in 1999 en nu assistent bij het Deense nationale team.

Verering blijft uit, voorlopig. Passanten kijken toe bij de fotosessie. Hij wordt niet aangeklampt, er wordt niet om selfies of handtekeningen gevraagd. Zijn naam zingt zelden rond in de Kuip. Zijn naam allitereert ook niet. De naam die op vele manieren wordt geschreven. Jorgensen, Jörgensen, Jørgensen.

Hij roept weinig emotie op, anders dan voorgangers als John Guidetti, Graziano Pellè en uit een ver verleden József Kiprich. Geen adoratie, geen cultvorming, geen afgunst, geen kritiek, geen rimpeltjes. Fans die zijn naam op hun shirt dragen zie je niet. Hij doet zijn job, scoort veel, mist soms, en gaat weer naar huis. Dat werk.

Hij schuift aan, fris gedoucht na een veldtraining en een krachttraining. Zondag wacht het lastige uitduel tegen FC Twente. Twee interviews deze woensdag, praatlustig als hij is na zijn twee goals vorig weekend tegen NEC. Een zeldzaam mediastormpje rond zijn persoon is gaan liggen: hij gaf een laatste zetje aan een reeds zekere treffer in wording van mede-aanvaller Bilal Basacikoglu. Een ‘gestolen’ goal, klonk het.

Als ik thuis kom vergeet ik voetbal. Dat heb ik nodig. Als je te veel aan voetbal denkt, ook in je vrije tijd, word je gek.

Heb je Basacikoglu een bosje bloemen gegeven?

„Nee. Ik heb met hem gepraat. Hij begreep het. Dit hoort bij een spits. Een makkelijke goal is voor mij erg belangrijk. Voor hem als buitenspeler telt een assist meer, zei ik. Treur niet, zei ik. Het was een grappige situatie. De meeste spelers zouden het hebben gedaan.”

Heb je je excuses aangeboden?

„Nee, dat hoefde ik niet te doen. Hij weet hoe het werkt, it’s the business.”

De ware geest van de spits toont zich, balancerend tussen teambelang en individuele eerzucht: zijn eerste plek op de topscorerslijst. Het zijn de grondbeginselen van het spitsenbestaan; de ploeg als hoogste macht, naast zijn goals, zijn levensader.

Dat uit zich zo. Het ene moment zegt hij: „Het belangrijkste is het team. Als we winnen en ik scoor niet is dat erg goed. Als ik scoor en we verliezen is dat erg slecht.”

Het andere moment zegt hij over een gewonnen wedstrijd drie weken terug bij Roda JC, waar hij twee assists gaf maar twee grote kansen miste: „Ik heb er veel over nagedacht op de weg terug in de bus. Ik was blij voor het team, maar ik was boos en gefrustreerd dat ik niet scoorde uit die kansen.”

Je staat op achttien goals dit seizoen, in alle competities. Is het een verslaving, scoren?

„Ja, daar komt het in de buurt. Als spits heb ik het nodig in mijn leven. It rocks, een speciaal gevoel. Dat gevoel krijg je ook als het team een moeilijke wedstrijd wint. Zoals de 1-0 tegen Eindhoven.” Hij bedoelt PSV, spreekt met Deens accent over ‘Aijndhoven’ – hij volgt sinds kort Nederlandse les. „De adrenaline daarna in de kleedkamer was zo opgepompt. Dat is misschien beter dan scoren.”

Voel je het aankomen als je gaat scoren?

„Sommige wedstrijden voel je: oké, vandaag ga ik niet scoren. Maar dan opeens gebeurt er iets, het gaat zo snel. Het kan één pass zijn, en dan ligt het open. In het laatste duel kreeg ik een bal die ik niet verwachtte, het is een split-second, dan moet je er zijn.”

Hij stond al 477 minuten ‘droog’, toen hij zondag in de slotfase tegen NEC scoorde. „Een bevrijding.” Hij doet het na, als een vrouw na een bevalling. „Het was als: pffffff. Oké, nu kan je je weer focussen op je spel, niet alleen op die eerste goal maken.”

Hij is opgegroeid in de gemeente Ballerup, dicht bij Kopenhagen. Hij woonde in een multiculturele wijk, in de jeugd voetbalde hij dagenlang in twee voetbalkooien, vertelt hij. „Daar heb ik veel geleerd, er waren jongens met een ongelofelijke techniek, vooral de spelers van Marokkaanse achtergrond. Het was een geweldige plek om op te groeien.”

Zijn moeder is accountant, zijn vader runt een kartcentrum. Jørgensen, een racefanaat, ging vaak mee. „Vroeger reed ik soms vier uur achter elkaar. Mijn vader zette mij in de kart, dan reed ik door tot de brandstof op was. Nu gaat dat niet meer, ik krijg pijn in mijn rug.”

Veel coaches gaven mij waarschuwingen: als je je nog één keer misdraagt kan je hier niet meer spelen.

Vader Lars trainde hem in zijn pupillenjaren bij zijn eerste voetbalclub, Grantoften IF. Hij komt uit een sportgek gezin. „Mijn ouders doen alles: tennis, voetbal, tafeltennis, darts, snooker.” Hij is het middelste kind. Hij heeft een oudere zus en een achttienjarig broertje, die onlangs eenmalig meespeelde in de Feyenoord-jeugd onder 19, om ervaring op te doen. Zijn vader vliegt vaak over uit Kopenhagen voor uit- en thuiswedstrijden. En soms komt hij met een groepje in een minibus naar Rotterdam, met familieleden en vrienden.

Jørgensen heeft de kenmerken van het prototype gelukkige Deen, zoals beschreven in het boek Hygge: de Deense kunst van het leven. Hygge betekent gezelligheid, knusheid. „Het gevoel dat we veilig zijn en ons kunnen ontspannen, afgeschermd van de buitenwereld”, staat in de inleiding.

Je hoort het terug in de teksten van Jørgensen. „Ik ben hier happy”, zegt hij vaak. Hij gaat komende zomer trouwen met zijn Deense vriendin. Gevoelige nederlaag in november tegen Go Ahead Eagles? Hij kan het loslaten. „Ik neem het voetbal nooit mee naar mijn verloofde. Als ik thuis kom vergeet ik voetbal. Dat heb ik nodig. Als je te veel aan voetbal denkt, ook in je vrije tijd, word je gek.”

Hij trok op zijn negentiende naar de Bundesliga, naar Bayer Leverkusen. Hij trainde er onder coach Jupp Heynckes, speelde met sterspeler Michael Ballack. Het werd geen succes, hij was te jong, had veel blessures. „Voor het eerst woonde ik op mijzelf. Het waren zware jaren. Ik ben er harder geworden.”

Terug in Denemarken, bij Kopenhagen, leefde hij op. En hij veranderde. Tot twee jaar terug had Jørgensen last van woedeaanvallen in het veld. „Ik speelde veel slechte wedstrijden omdat ik gefrustreerd raakte. Veel coaches gaven mij waarschuwingen: als je je nog één keer misdraagt kan je hier niet meer spelen. Ik kreeg rode kaarten voor het uitschelden van de scheidsrechter en voor onnodige overtredingen. Dat was ik niet: zodra ik het veld verliet was ik weer de aardigste jongen.”

Nu moet ik een balans zoeken, moet ik meer boos zijn of niet?

„Op mijn 24ste kwam er een omschakelmoment. Het kon zo niet langer. Door mijn temperament deed ik dingen waar ik thuis spijt van kreeg, waar ik droevig van werd. Ik sprak met een mental coach. Dat ging meer over presteren, over zelfvertrouwen. En over mijn temperament. Maar niets hielp. Ik realiseerde me dat ik moest veranderen. Iedere keer moest ik mij er bij het begin van een duel aan herinneren dat ik niet kwaad moest worden.”

„Nu moet ik een balans zoeken, moet ik meer boos zijn of niet? Ik hou ervan kalm te zijn op het veld, daardoor ben ik meer gefocust en scoor ik meer.”

Bij Feyenoord oogt hij beheerst. Hij paste zich snel aan, hij was gewend om als tweede spits in een 4-4-2-systeem te spelen. Hier is hij de middelste spits in een driemansaanval, en daarmee het belangrijkste aanspeelpunt. „Nieuwe omgeving, nieuwe spelers, nieuw systeem. Dat had hij snel door”, zegt Roy Makaay, spitsentrainer van het eerste elftal. ‘Kuipvrees’ kent hij niet, zegt Makaay. „Hij heeft dat stoïcijnse.”

Voelt hij de druk als eerste spits van Feyenoord? Jørgensen kijkt op. Rustig: „Nee. Niet echt. Ik denk niet na over druk.” Onverstoorbare Deen in naar titel smachtend Rotterdam.