Commentaar

Huiver over neurobiologie voor criminelen overbodig

Staatssecretaris Dijkhoff (VVD, Veiligheid en Justitie) wil op vrijwillige basis neurobiologie gaan toepassen bij het onderzoeken en behandelen van jeugddelinquenten, zo liet hij de Tweede Kamer op woensdag weten. Denk aan meting van hartslag, hormoonniveaus en huidgeleiding in het kader van gedragstherapie en diagnose. Met als argument dat de neurowetenschap inmiddels zoveel kan vertellen over gedrag, dat het verantwoord is er voorzichtig praktisch gebruik van te gaan maken.

Dat is een verstandige stap, die verder ook helemaal niet zou opvallen, ware het niet dat de neurobiologie een politiek en ethisch beladen verleden heeft. De invloed van biologische factoren op anti-sociaal gedrag is lang ontkend – ooit kostte het de ‘dissidente’ Leidse ‘biocriminoloog’ Wouter Buikhuisen zijn loopbaan. Hij werd het slachtoffer van een campagne in de media zonder weerga, waar ook de universiteit niet tegen bestand was. Zijn gedwongen vertrek is achteraf beschouwd een beschamende episode, waar nooit echt lering uit is getrokken. Of verantwoording over is afgelegd.

De draai in de wetenschap, inhoudelijk, is al eind vorige eeuw gemaakt; nieuwe inzichten uit onderzoek bleken onloochenbaar. Crimineel gedrag komt voort uit een wisselwerking tussen sociale en biologische factoren – biologische aanleg enerzijds en opvoeding/omgeving anderzijds kunnen samen voor anti-sociaal gedrag zorgen. Als die neurobiologische factoren nauwkeurig genoeg kunnen worden vastgesteld, zijn er praktische lessen te trekken voor de diagnose, behandeling en preventie, bijvoorbeeld van de kans op recidive. Zo zijn er betrouwbare aanwijzingen dat lage hartslag in rust, cortisolconcentraties, voedingsgewoonten en verminderde huidgeleiding iets kunnen zeggen over de kans op succes van een behandeling, gevoeligheid voor stress en agressie en controle van impulsen.

De Raad voor de Strafrechttoepassing heeft geadviseerd dergelijke nieuwe behandelmethoden pas in te voeren als er voldoende expertise voor handen is bij de behandelaars, de methode algemeen erkend is, de motieven therapeutisch zijn (en niet ter beveiliging), er geen schade is te verwachten en de jeugdige en zijn ouders worden geïnformeerd en kunnen instemmen.

Als dat in acht wordt genomen, staat niets de toepassing van deze nieuwe kennis in de weg. Er worden dan trainingen mogelijk waarbij door feedback van kleine draagbare sensoren de delinquent direct merkt hoe snel boosheid of agressie kan ontstaan. Dijkhoff zet dan een stap die enkele decennia geleden nog ondenkbaar was, maar nu logisch en verantwoord lijkt.