Het ventje met de grote ijsmuts op

Jonge jaren Hoe word je wie je bent? Sven Kramer schaatst volgende week het WK Afstanden in Zuid-Korea. Als kind moest hij soms heel hard aan het been van zijn vader trekken.

Met vader Yep Kramer op het ijs in het Duitse Inzell.

Elfstedentocht

Alleen al ademhalen doet zo’n pijn. Elke verkeerde beweging schiet als een messteek door zijn bovenlijf. Over twee dagen komt eindelijk de vijftiende Elfstedentocht, maar de Friese favoriet Yep Kramer is geblesseerd. Zijn vader is ‘geflikt’, hoort zoontje Sven hem zeggen, een paar dagen eerder bij het Nederlandse Kampioenschap (NK) op natuurijs in Ankeveen. „Nee, toen was het niet gezellig thuis”, herinnerde hij zich onlangs die eerste januaridagen van 1997.

Geflikt? De titelverdediger was in het gedrang bij de NK in een sneeuwrand beland en hard gevallen op zijn toch al gekwetste rug. Drie zwaar gekneusde ribben, luidde destijds de diagnose. Sven houdt tot vandaag vol dat ze gebroken waren. Zo’n tegenslag, net nu. En dan al die telefoontjes van mensen die willen weten hoe het met hem gaat. De kleine Sven hoort, ziet, voelt de pijn en stress bij zijn vader. Maar opgeven voor de Elfstedentocht? Nooit.

Die vroege ochtend van de vierde januari zit een tienjarig jochie thuis in Oudeschoot gespannen voor de televisie. Geen minuut wil hij missen, al valt lang stilzitten hem zwaar.

„Jouw vader rijdt als een van de kanshebbers de Elfstedentocht”, vertelde Kramer begin januari in de aanloop naar de Europese Kampioenschappen allround, waar hij zijn negende Europese titel pakte. „Daar ben je je terdege van bewust hoor. En je weet dat hij geblesseerd is, drie gebroken ribben heeft.” Urenlang zijn de ogen gefixeerd op die man in het rood-wit-grijze pak van sponsor Klerks, beennummer 72, klassieke roodwitte muts met knotje. Zijn vader.

Tweede is hij bij doorkomst in Workum, derde in Bolsward, tweede weer in Harlingen en Franeker. Zou het dan toch? Als Yep Kramer (39) tot Dokkum bij de voorsten blijft, kunnen weinigen hem in een eindsprint verslaan, pijnlijke ribbenkast of niet. Dat weten alle kenners, dat hopen alle Friezen, dat weet en hoopt de kleine Sven. Tot op de Blikvaart bij Oude Leije, dwars tegen een straffe noordooster in, Henk van Benthem demarreert. Zijn vader lost uit de kopgroep, de camera is hem kwijt. Als achtste finisht hij op de Bonkevaart, twaalf minuten na winnaar Henk Angenent. Beste Fries, schrale troost. „Hij had gewoon moeten winnen”, zegt Sven jaren later.

Met de Friese selectie voor het eerst zelf op trainingskamp naar Inzell (Sven staat onder de ‘z’.)

Pake

’s Avonds neemt Yep Kramer zijn zoon mee naar de Bonkevaart om zijn opa te zien finishen. Pake Hendrik Kramer rijdt die dag voor de zesde keer de Elfstedentocht uit. „Die zes kruisjes hingen vroeger prominent bij mijn opa en oma thuis aan de muur”, vertelde Kramer laatst in zijn column in de Telegraaf. „Toen ik klein was heb ik ze geregeld in mijn handen gehad. Voor zover ik me kon herinneren vonden ze dat nooit zo geslaagd als die medailles weer eens van de muur waren getrokken.”

Inzell

Schaatsen, daar draait thuis bij de Kramers alles om. Moeder Elli is een regionale topper in het gewest Friesland, tot ze in 1981 stopt. Vader Yep maakt deel uit van de kernploeg met onder meer Hilbert van der Duim en Frits Schalij. In 1983 grijpt hij op de Haagse Uithof door pech net naast de Europese titel. Nadat op 23 april 1986 hun zoon Sven is geboren, duurt het geen tweeënhalf jaar of hij staat voor het eerst op schaatsjes, tijdens een trainingskamp van zijn vader in Inzell. Nog altijd is het zijn favoriete trainingsoord. „Ik ben hier al minstens vijftig keer geweest”, zei hij begin dit seizoen in het Zuid-Duitse bergdorpje.

Litteken

De kleine Sven is geen gemakkelijk kind, vertelde Peter de Vries – oud-marathonschaatser en vriend van de familie Kramer – een paar jaar geleden. „Hij had een tomeloze energie, moest altijd met iets bezig zijn. Als kind deed hij veel tegelijk: voetbal, tennis, schaatsen. Alles heel gedreven. Hij moest en zou winnen, kon absoluut niet tegen zijn verlies. Voor zijn ouders was het soms wel moeilijk.” Het litteken op zijn rechterwang, na een val door een schuifpui, vormt voor altijd het bewijs van onbezonnen dadendrang.

Gretig inhaleert hij de topsportcarrière van zijn vader, die als marathonschaatser successen viert op kunst- en natuurijs. Een beeld om nooit te vergeten: een schaatser in een rood-wit-blauw pak rijdt over een vrijwel lege plas in natuurgebied Ermerstrand in Drenthe. Yep Kramer is eind december 1995 Nederlands kampioen geworden op natuurijs. Achter hem schaatst een klein ventje met een grote ijsmuts. Sven. Even later zit de hele familie Kramer in een behaaglijke bungalow aan het water voor de persconferentie van de kampioen. „Dat vond ik zo gaaf”, herinnerde Kramer zich later. „Mijn vader had gewonnen. Het was koud, een zware race, veel afvallers. Die dag blijft me altijd bij.”

Rugpijn

Nog meer indruk maakt ongetwijfeld de keerzijde van de glorie. Zoals die gestresste dagen in de aanloop naar de Elfstedentocht. Zoals de momenten dat zijn vader niet kan lopen van de pijn in zijn rug, altijd zijn zwakke plek. Dan ligt hij plat op bed en moet de kleine Sven hard aan zijn been trekken. Yep crepeert van de pijn, maar de spieren in de rug ontspannen wat en er kan toch weer geschaatst worden. „Wat moet er door zo’n koppie heengaan wanneer je als klein jongetje anderhalf uur aan het been van je vader moet trekken”, vroeg zijn oud-ploeggenoot Erben Wennemars zich af toen hij het verhaal hoorde.

Jeugdjournaal

„Ik ben Sven Kramer, ik kom uit Oudeschoot en ik ben elf jaar. Mijn grote droom is om later topschaatser te worden.” Beroemd geworden woorden uit het Jeugdjournaal van 1998, aan de vooravond van de Vikingrace in Heerenveen, de belangrijkste internationale wedstrijd voor de jeugd. Geen wonder dat de verslaggeefster terechtkomt bij de brutale debutant uit Friesland. Thialf is dan al zijn tweede huiskamer, zoals stadion De Meer dat ooit was voor de jonge Johan Cruijff. Iedereen op en rond de baan kent de zoon van Elli en Yep. En vlak zusje Brecht niet uit, ook al zo’n talentje.

Goud op het NK Sprint in 2003.

Groei

Kattenkwaad op de mavo van Sevenwolden, een ‘topsport talentenschool’. Onbevangen, grote mond en populair bij de meisjes, schrijft journalist Johan Boef in de ongeautoriseerde biografie Sven uit 2014. Later wat serieuzer op het CIOS, een mbo-opleiding voor sport en bewegen. Maar zijn leven is schaatsen. Een tegenvallend NK junioren B is in 2001 extra brandstof voor zijn motivatie. Peter de Vries volgde het van nabij. „Zijn lichaam begon zich te ontwikkelen en dat is in het begin geen voordeel. Hij had de kracht nog niet om zijn groei bij te houden, schaatste niet compact en slingerde alle kanten uit. Maar toen hij daar eenmaal grip op kreeg, is hij heel hard vooruitgegaan. Vanaf zijn zestiende heeft die jongen qua training verschrikkelijk veel geïnvesteerd in zijn sport.”

De rest is geschiedenis: drie keer olympisch goud, recordhouder met negen zeges bij EK en acht bij WK allround, zeventien keer goud bij WK afstanden. Maar ook: fysieke (rug en bovenbeen) en mentale problemen, de verkeerde wissel op de olympische tien kilometer in 2010, een pijnlijke nederlaag tegen Jorrit Bergsma vier jaar later op de Olympische Spelen van Sotsji.

Dertig is hij nu, het lichaam weer fit, de ambitie nog even tomeloos als in zijn jeugd. Goud op de olympische tien kilometer, volgend jaar in Pyeongchang, is zijn ultieme doel. Opgeven is geen optie.