De tijdreis van de Askoy II, het zeiljacht van Jacques Brel

De Aksoy II was ooit het jacht waar Jacques Brel de wereld mee rondzeilde. Na zijn dood wordt de boot transportschip, drugssmokkelboot en plezierjacht – tot het zinkt in Nieuw-Zeeland. Nu wordt het weer gerenoveerd in België.

Jacques Brel op de Askoy II in 1978

Op een grauwe winterdag in 1974 stopt er een eenvoudige Datsun bij zeilmakerij Wittevrongel, een familiebedrijf in de Vlaamse kustplaats Blankenberge. Er stapt een man uit, gekleed in jeans en een alledaags jack, een rol tekeningen onder zijn arm. Een onopvallende man, herinnert Staf Wittevrongel zich. Staf is de oudste in het gezin met zeven kinderen en werkt die dag in de zaak van zijn vader. De man bestelt zeilen en tuigage. Een grote klus, groter dan gebruikelijk. Om de offerte te kunnen maken en om er zeker van te zijn dat de bestelling straks ook wordt betaald , vraagt Staf de nieuwe klant om zijn naam en adres. „Je suis celui qui tout les Flamands veulent tuer (Ik ben degene die alle Vlamingen willen doden)”, antwoordt hij met een knipoog. „Je suis Jacques Brel.”

„Ongelofelijk dat mijn broer hem niet herkende”, zegt Piet Wittevrongel, de jongste zoon uit het gezin. Hij afficheert zichzelf, nog steeds, als een echte soixant-huitard, een rebels kind van de jaren zestig dat werd geraakt door de jongerenrevoluties van ’68. „Onze helden waren de protestzangers: Bob Dylan in Amerika, Boudewijn de Groot in Nederland en Jacques Brel in België, een vrijgevochten artiest met een aversie tegen religie, gezag en Flaminganten.”

Diezelfde Brel staat dus op een doordeweekse winterdag in de zeilmakerij. De chansonnier wil zeilen hebben omdat hij rond de wereld wil varen. Hij heeft een schip gekocht, de Askoy II, een van de grootste zeiljachten ooit in België gebouwd en destijds het vlaggenschip van de Royal Yacht Club de Belgique in Antwerpen. De tweemaster is bijna 20 meter lang, 5 meter breed en weegt door de stalen romp bijna 40 ton. Een log bakbeest eigenlijk, dat met moeite zes knopen kan halen. Maar wel een schitterend bakbeest: een kathedraal, als in Vlaanderen of Artois.

Jacques Brel op zijn boot
De Askoy II
Foto Pigneres Michel / Hollandse Hoogte
Een still uit de film L’aventure c’est l’aventure (1972)
Jacques Brel op zijn boot, de Askoy II en een still uit de film Láventure cést láventure (1972)

Bibberschip

De boot is ontworpen door Hugo van Kuyck, een bekende architect en stedenbouwkundige en fervent zeilliefhebber. Van Kuyck liet het jacht eind jaren vijftig op een Vlaamse scheepswerf bouwen. Piet Wittevrongel: „Hoewel het niet met honderd procent zekerheid vaststaat, was de Askoy II hoogstwaarschijnlijk een ‘bibberschip’. In die tijd schaften vermogende en invloedrijke West-Europeanen bibberschepen aan, uit angst voor de Sovjet-Unie. Met een schip vol proviand was het mogelijk om snel de vrijheid tegemoet te varen als de Russen zouden binnenvallen.”

De Koude Oorlog baarde de Askoy, daar komt het op neer. Ook na de geboorte vertonen de logboeken van het jacht opmerkelijke parallellen met de naoorlogse tijdgeest. Het schip drijft mee op de golven van de tijd, voortgestuwd door de wind der verandering die de wereld vanaf de jaren zestig transformeren. In dat decennium dient het eerste massatoerisme zich bijvoorbeeld aan. Met het stijgen van de welvaart gaan West-Europeanen vaker op vakantie en een groeiende groep mensen koopt een zeilboot. Van Kuyck kan zich beide luxes veroorloven. Hij heeft een voorliefde voor Noord-Europese wateren: de Noorse kust, de Oostzee, de Zweedse kanalen, de Botnische golf.

Maar als de jaren zeventig aanbreken lukt het hem niet meer, het zeilen. De oude architect wordt zeventig en heeft gezondheidsklachten. Hij biedt de Askoy II te koop aan. De westerse wereld is inmiddels in de ban van de Summer of Love, de studentenrevoltes van 1968 en Woodstock achter de rug. De jeugd zoekt vrijheid, maakt zich los van traditionele verbanden en proeft van de vrije liefde.

Ook Jacques Brel is in die jaren op zoek naar vrijheid. Hij heeft genoeg van het knellende korset van het sterrendom, met zijn stroopsmeerders, hielenlikkers en opdringerige paparazzi, zo valt te lezen in de biografie die René Seghers over hem schreef. In februari 1974 koopt Brel de Askoy II en bestelt nieuwe zeilen bij de Wittevrongels in Blankenberge. Hij maakt zich los van zijn gezin en vertrekt met minnares Maddly Bamy, een filmactrice uit Guadeloupe, voor een reis rond de wereld. De Askoy wordt een schip van vrijheid en liefde. De imposante boot verlaat België om er pas 35 jaar later als wrak terug te keren. Staf Wittevrongel: „We zijn het schip nu grondig aan het restaureren, zodat volgend jaar de zeilen opnieuw gehesen kunnen worden.”

Van saamhorigheid naar zelfzuchtig narcisme

Brel en Bamy beginnen hun wereldreis in het najaar van 1974. Ze varen langs Cornwall naar Noord-Spanje en vervolgens naar Madeira. De zanger moet hier naar het ziekenhuis, want hij heeft ademhalingsproblemen. De diagnose is niet mals. Longkanker, het gevolg van jarenlang vier pakjes sigaretten per dag. Brel vliegt terug om de helft van zijn linkerlong te laten verwijderen, maar hij laat zich niet uit het veld slaan. Na een herstelperiode klimt hij weer aan boord en vaart met zijn minnares verder naar de Canarische eilanden, de Azoren en het Caraïbisch gebied. Zijn dochter France zeilt eerst nog mee, maar op Martinique vertrekt ze met ruzie van het schip.

Dat Brel zich definitief van vrouw en kinderen vervreemdde past in de tijd. De saamhorigheid van de jaren zestig sloeg in de jaren zeventig om in zelfzuchtig narcisme. De vrije liefde was zelden onbaatzuchtig en bleek ook diepe wonden te kunnen slaan. Na de breuk met zijn dochter varen Brel en Bamy door het Panamakanaal naar de Stille Oceaan. Er volgen enkele Pacifische omzwervingen en eind 1975 komen ze aan bij de Marquesas-eilanden (de Markiezen), onderdeel van Frans-Polynesië. Het stel wordt verliefd op Hiva Oa, het grootste eiland van de archipel, en besluit er te blijven. Ze kiezen voor een eenvoudig leven zonder paparazzi en dwingende verplichtingen. Hier schrijft Brel zijn laatste nummers, waaronder een lofzang op de eilanden (Les Marquises) en een ode aan de Askoy (La Cathédrale), waarin hij het schip vergelijkt met een kathedraal.

Eind 1976 arriveert een jong Amerikaans koppel op Hiva Oa: Kathy Cleveland en Lee Adamson. Ze zijn bemanningslid op een zeiljacht en hebben plannen om een eigen schip te kopen. De twee kunnen het goed vinden met Brel. Hij heeft inmiddels besloten niet meer te willen varen, want het leven op Hiva Oa bevalt goed en het zeilen valt hem met anderhalve long te zwaar. Na een paar maanden verkoopt Brel de Askoy II aan Cleveland en Adamson. Voor een spotprijs, weet Adamson nog: „We boden hem een fractie van de waarde, want we hadden nauwelijks geld. Hij vond ons sympathiek dus voor iets meer, 25.000 dollar, wilde hij het schip aan ons overdoen”, zo laat hij per e-mail vanuit Florida weten.

Jacques Brel zelf leeft daarna nog ruim een jaar op Hiva Oa, waar hij na zijn dood in 1978 wordt begraven, op een paar meter van het graf van Paul Gauguin.

Brel of Pater Damiaan?: Dit is echt de grootste Belg

Van zeiljacht naar protestschip…

Terwijl Kathy Cleveland en Lee Adamson hun eerste tochten met de Askoy maken, slaat de wind om. Pro wordt anti in de loop van de jaren zeventig. Was de jeugd eerst vóór, voor vrede, vrijheid en liefde, nu beginnen sentimenten tegen de boventoon te voeren: anti-kernwapens, anti-militarisme, anti-kapitalisme, anti-fascisme, anti-kernenergie. In Engeland breken de Sex Pistols door met Anarchy in the UK, in West-Duitsland en Italië proberen RAF en Rode Brigades het kapitalisme met veel geweld omver te werpen.

De Askoy II in Zeebrugge
Foto James Arthur / ID
Een schaalmodel van het schip
Foto Guido Derksen
Een gepensioneerde timmerman die vrijwillig werkt aan de restauratie van het schip
Foto Guido Derksen
De Askoy II in Zeebrugge (2016), een schaalmodel van het schip, gepensioneerde zeilmaker Staf Wittevrongel.
Foto’s James Arthur / ID, Guido Derksen / NRC

Rond de overgang naar de jaren tachtig zijn anti-kapitalistische acties, anti-kernenergie- en anti-kernwapendemonstraties bijna routine geworden. De bloemengeneratie is vervangen door Generatie Nix, de verloren generatie die ‘no future’ in het vaandel heeft staan. Kathy Cleveland, Lee Adamson en de vrienden die met hen meevaren staan met één voet in het tijdperk van vrijheid en liefde en met de andere in het volgende tijdsgewricht, zo vermeldt Brel-biograaf Seghers. Eerst varen ze langs vreedzame eilanden met exotische namen als Tuherahera, Huahine, Raiatea en Maupiti. Na een lange stop op Fiji en een overtocht naar Nieuw-Zeeland loopt de relatie van Cleveland en Adamson op de klippen. Cleveland zeilt daarna met vrienden verder over de Pacific. Ze schilderen in grote zwarte letters ‘No Nukes’ op de boeg van de Askoy en varen naar Tahiti om te protesteren tegen de Franse atoomproeven op het atol Moruroa.

Wat de Rainbow Warrior niet lukte, lukt de Askoy II ook niet. Frankrijk gaat door met de nucleaire tests. Gedesillusioneerd verkoopt Cleveland het jacht in 1982 aan Harlow Jones, een Amerikaan uit Honolulu. „Jones was een beetje vreemd, een avonturier,” vertelt Piet Wittevrongel, die hem een paar jaar geleden op Hawaii sprak.
Na de koop in 1982 laat Jones een diepvriesinstallatie in de Askoy II bouwen en begint Harlow’s Island Packet and Trading Company. Zijn bedrijfje koopt kreeft en vis van lokale vissers op eilanden in de Pacific en verkoopt de diepgevroren handelswaar op Hawaii aan hotels en restaurants. De Askoy wordt een transportschip.

… tot smokkelboot voor drugs

In de tweede helft van de jaren tachtig geven Ronald Reagan en Margaret Thatcher de vrije markt ruim baan. Vakbonden zijn gemuilkorfd, de anti-kernwapenbeweging is weggekwijnd. De yuppen nemen het voortouw, de young urban professionals die materieel bezit najagen. In 1987 verschijnt de film Wall Street, met Michael Douglas als investeerder Gordon Gekko die de nieuwe tijdgeest onder woorden brengt: „Greed is good. Greed is right. Greed works”.

‘It was all about the smoke, the girls and the fun, and the money of course’

Harlow Jones ontvangt begin 1988 een bod dat hij niet kan weigeren. Hij verkoopt het schip voor 130.000 dollar aan een groep Duitse en Amerikaanse drugssmokkelaars. De Askoy wisselt van eigenaar tijdens een schimmige bijeenkomst in Las Vegas; een deel van de koopsom wordt contant betaald, in gouden krugerrands en Canadese goudmunten. Het is de bedoeling dat het schip onderdeel wordt van een transpacifisch drugsnetwerk. De smokkelaars zijn voormalige hippies; de hebzucht van Gordon Gekko heeft hen eveneens in zijn greep gekregen.

„De hele operatie werd vanuit een hippe bar in Californië georganiseerd”, zegt Piet Wittevrongel. „Het brein achter de plannen was ene Mike Ortiz, die we een paar jaar geleden hebben opgespoord. ‘It was all about the smoke, the girls and the fun, and the money of course’, vertelde hij ons.”

In de zomer van 1988 gaat de Askoy-II bij Hawaii voor anker met zo’n tien ton Thaise marihuana aan boord. ‘Golden Dragon’, staat er op de gesealde bundels. De contrabande wordt overgeladen op een kleinere boot die ’s nachts voor de Californische kust aanlegt, bij een naaktstrand in Santa Cruz. Met kleine speedbootjes gaan de drugs aan land, maar de smokkelaars hebben een fout gemaakt: het is volle maan. Een oplettende kampeerder ziet verdachte activiteiten, waarschuwt de politie en de mannen worden gepakt. Piet Wittevrongel: „Volgens een lokale krant was de vangst, met een straatwaarde van meer dan 66 miljoen dollar, op dat moment de grootste aller tijden in Santa Cruz County.”

Al snel komt de Amerikaanse narcoticapolitie erachter dat de Askoy bij de smokkel is betrokken. Het schip ligt inmiddels in de haven van Suva, de hoofdstad van Fiji, waar de bemanning vast komt te zitten. Na een reeks procedures wordt de laatste smokkelaar uiteindelijk in 1993 aan de Verenigde Staten uitgeleverd. De Askoy heeft al die tijd aan de ketting gelegen en is aangevreten door achterstallig onderhoud.

Terwijl het schip bij Fiji weg ligt te roesten, breken de jaren negentig aan. De Berlijnse Muur is gevallen, de Sovjet-Unie valt uiteen en Francis Fukuyama kondigt het einde van de geschiedenis aan.

De jaren 90: solo de toekomst tegemoet

Eind 1993 besluiten de autoriteiten op Fiji om tot een openbare verkoop over te gaan. De ervaren Nieuw-Zeelandse zeezeiler Lindsay Wright, die later nog als eerste stuurman op de Rainbow Warrior II meevaart om actie te voeren tegen kernenergie, ligt op dat moment in de haven van Suva. „Ik was met mijn eigen jacht op weg naar Japan en zag de Askoy daar liggen”, licht hij vanuit Nieuw-Zeeland toe. „Ik vond het schip veel te mooi om te laten vergaan en overtuigde de havenmeester ervan dat het zou kunnen zinken – het zou dan een gevaar voor andere schepen vormen. Daarna mocht ik de Askoy voor 12.000 Fiji-dollar meenemen, omgerekend ruim 10.000 Amerikaanse dollar. Ik was van plan de boot als expeditieschip te gebruiken vanuit Nieuw-Zeeland naar sub-Antarctische eilanden als Antipodes Island, Campbell Island en Macquarie Island te varen.”

Wright maakt de Askoy zeilklaar en vertrekt halverwege 1994 in zijn eentje naar zijn vaderland. De tocht past bij de jaren negentig, waarin grote ideologieën op de vuilnisbelt van de geschiedenis terechtkomen. Onder Clinton en Blair wordt het neo-liberalisme gevierd, Wim Kok schudt in Nederland de ideologische veren van zich af en voor de jeugd rest een ideeënloos individualisme. Solo de toekomst tegemoet, precies wat Lindsay Wright met de Askoy doet.

Als de zeiler het noordelijkste puntje van Nieuw-Zeeland rondt, komt hij in een storm terecht. Na twee dagen vechten tegen de elementen begeeft de motor het. De Askoy wordt op Baylys Beach gesmeten, aan de westkant van het Noordereiland. De boot komt vast te liggen en de kapitein kan niets anders doen dan zijn schip verlaten. Lostrekken of bergen lukt niet meer. In de jaren die volgen teert het jacht langzaam weg en het wrak wordt steeds dieper het zand ingezogen. Het einde van de geschiedenis lijkt bereikt voor de Askoy II.

De kathedraal zal herrijzen

Eind 2016, op een grijze, regenachtige winterdag, sta ik in een loods op een onbestemd haventerrein in Zeebrugge en laat ik mijn hand langs de massieve metalen romp glijden. Staf en Piet Wittevrongel, de één 2.06 meter en de ander 2 meter lang, klimmen naar boven en laten me zien hoe vrijwilligers het houtwerk van het schip in volle glorie herstellen.

„In 2003 bezocht ik een tentoonstelling over het leven van Brel”, zegt Piet Wittevrongel. „Daar was op last van de erven-Brel geen enkele verwijzing naar Maddly Bamy te zien, toch zijn laatste levensgezellin waarmee hij op de Askoy heeft gevaren. Ik vond dat zó hypocriet dat ik mijn broer heb overgehaald een VZW (Vereniging Zonder Winstoogmerk, red.) op te richten om het schip te redden en te laten uitroepen tot Nationaal Belgisch Erfgoed. Zo konden we ook Bamy weer de plaats geven die zij verdient.”

In 2008 lukt het de VZW met veel moeite om het wrak in Nieuw-Zeeland uit het zand te laten graven en naar België te transporteren. Sindsdien wordt het schip teruggebracht in originele staat . De gebroeders Wittevrongel willen van de Askoy weer een schip van vrede, vrijheid en liefde maken. Het is de bedoeling dat het gerestaureerde jacht over een jaar te water wordt gelaten, op de geboortedag van Jacques Brel. De kathedraal zal weer herrijzen, met masten, een boegspriet en een ruim.