Het Hunzeveen was monniken- werk

Landschapsgeschiedenis Natuurlandschap verandert door mensenhand. Historicus Jeroen Zomer bestudeert deze metamorfose in het getijdebekken van de Hunze, op de Fries-Groningse grens.

Foto Kees van de Veen

Soms zie je zo’n kader in het landschap staan waar je doorheen moet kijken om eens extra te genieten. Je ziet dan een mooi afgebakend gebied met een lijst eromheen. Bomen, weilanden, een hek – prachtig.

Voor Jeroen Zomer, landschapshistoricus, is dat maar een zeer beperkte opvatting van landschap, zo’n visueel waarneembaar afgebakend gebied. Een landschap is véél meer, het is de tijdelijke uitkomst van eeuwenlange invloeden. Ooit was er een natuurlijk landschap, met al zijn fysieke eigenschappen zoals de verschillende grondsoorten en waterlopen, en de krachten die daarop inwerkten: overstromingen, vergroei, aanslibbing, afkalving, erosie. Maar niet alleen de natuur, ook de mensen veranderden het landschap: ze ontgonnen het veen, ze deelden het land in, ze namen het in bezit en bouwden erop, legden dijken en wegen aan, maakten wetten en regels waaraan het menselijk handelen in dat gebied gebonden was.

„Als je,” zegt Jeroen Zomer, „twee fysiek identieke landschappen, waarin dus alle natuurlijke eigenschappen hetzelfde zijn, zou laten bewonen door twee verschillende culturen, had je na een poosje twee totaal andere landschappen.”

En omgekeerd beïnvloedt het landschap de cultuur: wie zich de hele tijd tegen het water moet verweren, leeft anders dan wie hoog en droog op zandgrond zit.

Jeroen Zomer (33) promoveerde afgelopen najaar aan de Rijksuniversiteit Groningen, op een proefschrift met de titel Middeleeuwse veenontginningen in het getijdenbekken van de Hunze. Een interdisciplinair landschapshistorisch onderzoek naar de paleogeografie, ontginning en waterhuishouding (ca 800 – ca 1500).

Het getijdenbekken van de Hunze ligt in Noord-Nederland, op de Fries-Groningse grens, en aan de randen lagen uitgestrekte veengebieden. Interdisciplinair is zijn zeer uitvoerige onderzoek zeker. Er wordt gebruik gemaakt van koolstofdateringen, Zomer heeft boormonsters genomen in het gebied om de verschillende aardlagen te kunnen zien, hij heeft fysisch geografisch onderzoek gedaan naar hoogteverschillen, getijdenlopen, vergroei enzovoort. Allemaal exact werk. Maar er is ook veel sprake van geschiedschrijving: wie woonden er in dat gebied, hoe leefden ze daar, wie had er de macht, hoe kunnen we dat weten? En hoe gingen veenontginningen in hun werk in die twee specifieke stukjes die werden onderzocht: net als in West Nederland of toch weer anders?

Het antwoord is, niet verbazend: toch weer anders. Zomer is een enthousiast en eigenzinnig onderzoeker, die best durft te zeggen dat er misschien maar vijf of zes mensen in Nederland zijn die op een dergelijke interdisciplinaire manier het historische landschap kunnen onderzoeken. Hij is ervan overtuigd dat de enige manier om echt iets te weten te komen is om heel zorgvuldig een bepaald, afgebakend gebied te bekijken. Daarbij maak je gebruik van al ontwikkelde modellen over hoe dat nu ging, veen ontginnen. Natuurlijk. Je maakt gebruik van talrijke onderzoeken die eerder zijn gedaan, van de modernste meetmethodes en computertechnieken, waarmee je bijvoorbeeld een hoogtekaart onder een historische kaart kunt leggen en zo kunt zien hoe de hoogten in het landschap samenhingen met het gebruik dat ervan werd gemaakt en met fysieke processen. Maar je moet wel goed kijken, en vrij nadenken, en oog hebben voor wat specifiek is in een bepaald gebied om echt te begrijpen wat zich ergens heeft afgespeeld, en hoe het allemaal zo geworden is.

De specifieke eigenaardigheden van een gebied in de beschrijving betrekken, betekent ook dat de bestaande modellen voor veenontginningen in West Nederland, met zijn duinenrij, niet zomaar toepasselijk zijn voor, bijvoorbeeld, de omgeving van Roderwolde die Zomer onderzocht, waar het landschap in open verbinding stond met de zee. Dat zich in de twaalfde eeuw kloosters in het Hunzebekken vestigden heeft veel verschil gemaakt, de monniken waren in dit gebied actief bij het waterbeheer betrokken. En anders dan in Utrecht en Holland, waar respectievelijk het bisdom en de graaf het landschapsbeheer en -gebruik bepaalde, was er in Noord Nederland geen centraal gezag. Eerder zijn er aanwijzingen dat er een plaatselijke elite bestond van rijkere boeren die hun land uitbreidden door veen te ontginnen, die een kerk bouwden voor hun zieleheil en zo het aanzien van een streek krachtig meebepaalden.

Er is eigenlijk niet veel dat je buiten beschouwing kunt laten als je de biografie van een landschap wilt schrijven. Net als in de biografie van een mens, zitten er in de biografie van een landschap allerlei witte plekken, onzekerheden, dingen waarnaar je moet gissen. Maar er zijn ook feiten natuurlijk. Er zijn door archeologen sporen van grotere boerderijen in de ondergrond gevonden – maar ook weer niet heel veel. Er zijn familienamen die steeds weer terugkeren, op sommige plaatsen kun je zien dat steeds nieuwe familieleden in het verlengde van het land van hun eigen familie veen ontgonnen en een boerderij neerzetten.

Je praat er zo makkelijk over, maar wat is veen eigenlijk?

„Veen” zegt Zomer, „is bijvoorbeeld dit.” Hij pakt een potje met een plantje van het cafétafeltje in Zuidhorn. „Potgrond is meestal veen. Veen ontstaat als planten afsterven onder zuurstofarme omstandigheden.” Hij tekent een poeltje op een blaadje. Aan de oevers van het poeltje staat riet, eventueel bomen, er vallen resten, bladeren, takjes in het water. Die vergaan niet helemaal, maar vormen een laagje op de bodem van het water. Er ontstaat veen: de poel groeit dicht. Dat is laagveen, al wordt die term in de onderzoekswereld niet meer zo veel gebruikt. Zomer vindt het een prima bruikbare term als je maar duidelijk maakt wat je ermee bedoelt. Op een gegeven moment rijst het veen tot boven water. Hoogveen. Vaak sponzig, mossig, drassig. Veenmos kan enorme hoeveelheden water opnemen. Je kunt er ook goed in wegzakken.

Wat je ziet, bijvoorbeeld rond Roderwolde, maar ook in West Nederland, is dat kolonisten het veen introkken vanaf bestaande waterlopen, en loodrecht op die waterlopen geulen groeven om het moerassige veen af te wateren. Dan konden ze vervolgens die stukken drogere grond in gebruik nemen om er landbouw op te bedrijven. Maar door het ontwateren daalde de bodem. Dan verlengden de kolonisten hun sloten en schoven op, verder het veen in. Gebeurde in het noorden, gebeurde in Holland. Maar hier waren er plekken – Zomer wijst op een hoogtekaart – waar het pleistoceen heel dicht onder de oppervlakte lag, als zandige bultjes. Die kwamen naar boven bij de veenontginning en daarop ontstonden dorpen. Die doorbreken de regelmatige, kaarsrechte veenontginningsstructuur dan, omdat er in de ondergrond een reden was om daar te gaan wonen. Of daar een kerk te zetten. Waar de kerk niet op een zandheuvel lag, zoals bijvoorbeeld in Oldekerk, tussen Grootegast en Niekerk, verzakte hij en trokken de mensen weg. Dat kun je nu nog zien: er is een vaag heuveltje met een klokkestoel en een kunstenaar heeft de omtrek aangegeven van de kerk die daar ooit stond.

Zo verandert een landschap van een natuurlijk gebied, waarin de mens nog niet of nauwelijks heeft ingegrepen, tot het landschap dat we nu kennen. En waarin soms niets of weinig meer van de geschiedenis te herkennen is, tot ergernis van Zomer. Bijvoorbeeld bij Roderwolde, zijn onderzoeksgebied. Daarin zijn dwars door het typerende strokenlandschap met sloten grote geulen gegraven. Er is zo’n modern natuurgebied ontstaan, plas-dras, grote grazers. De weidevogels zijn verdwenen en hebben plaats gemaakt voor andere soorten. De geschiedenis is uit het landschap weggepoetst. Allemaal voor ‘waterberging’. „Dat had ook allemaal heel anders gekund, met behoud van het cultuurlandschap. Zonder de geulen had het gebied ook het water kunnen bergen,” zegt Zomer, die trouwens geen activist is of wil worden. „Als onderzoeker moet je je daar niet teveel mee bemoeien.”

Maar zegt hij, het landschap zelf, zoals het er ligt, dat is wel de drijfveer geweest voor zijn werk. Hij zit veel in bibliotheken en achter zijn computer, maar het uitgangspunt bleef wat we kunnen zien, die langgerekte stroken land met sloten en houtwallen, en dat we kunnen begrijpen waarom dat er zo uitziet, juist hier. Dat verbindt de mens met waar hij woont. „Als je iets plat schuift, dan krijg je het nooit meer terug. Dus je moet wel weten wat je eigenlijk plat schuift.”

Hij grijnst opgewekt.